Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BC2446

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
08-01-2008
Datum publicatie
24-01-2008
Zaaknummer
04-5263 WAJONG
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering WAJONG-uitkering toe te kennen. Oordeel van onafhankelijke door de bestuursrechter ingeschakelde deskundige in beginsel volgen. Geen feiten om hiervan af te wijken. Motiveringsgebrek. Wettelijke rente.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

04/5263 WAJONG

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante],

tegen de uitspraak van de rechtbank Maastricht van 19 augustus 2004, 03/1449 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 8 januari 2008

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. E.M. Pommé, advocaat te Heerlen, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Namens appellante zijn bij brieven van 12 januari, 27 juli en 16 oktober 2005 nadere stukken, waaronder een schrijven van de psychiater/psychotherapeut M.M.M.G. Debije van 30 november 2004, een schrijven van de RIAGG Maastricht van 9 juni 2005 alsmede een rapport van de psycholoog NIP drs. V.A.J. Waucomont van 18 augustus 2005, in het geding gebracht, waarop namens het Uwv door de bezwaarverzekeringsarts J. Jonker is gereageerd.

De Raad heeft de psychiater P.J. Vervoort en de psychiater in opleiding M. Boas benoemd als deskundigen voor het instellen van een onderzoek. De deskundigen hebben op 12 februari 2007 aan de Raad verslag uitgebracht van hun onderzoek, waarop namens het Uwv is gereageerd met een rapportage van de bezwaarverzekeringsarts Jonker van

29 maart 2007.

Namens appellante is bij brief van 16 mei 2007 een schrijven van de Regionale sociale dienst Pentasz Mergelland (hierna: Pentasz Mergelland) van 15 mei 2007 ingebracht, waarop namens het Uwv andermaal door de bezwaarverzekeringsarts Jonker is gereageerd.

Desgevraagd hebben de deskundigen op 24 augustus 2007 gereageerd op het rapport van de bezwaarverzekeringsarts Jonker van 29 maart 2007. Het Uwv heeft in reactie daarop nog een rapportage van de bezwaarverzekeringsarts Jonker van 26 september 2007 ingezonden.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 6 november 2007. Voor appellante is verschenen mr. Pommé voornoemd. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door A.H.G. Boelen.

II. OVERWEGINGEN

Appellant heeft een op 9 februari 2002 gedateerde aanvraag ingediend voor een uitkering ingevolge de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (WAJONG). In het kader van de beoordeling van deze aanvraag is appellante op 31 maart 2003 onderzocht door de verzekeringsarts V. Gijbels. In zijn rapportage van dezelfde datum sprak Gijbels van angsten, onzekerheden en slaapstoornissen. Gijbels stelde de diagnose sociale fobie en/of ontwijkende persoonlijkheid met een depressieve stemming en legde zijn bevindingen vast in een Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) van eveneens 31 maart 2003. Op basis hiervan werd bij het arbeidskundig onderzoek, na functieduiding, vastgesteld dat geen sprake was van enig verlies aan verdienvermogen. In overeenstemming hiermee heeft het Uwv appellante bij besluit van 20 mei 2003 een WAJONG-uitkering ontzegd, onder overweging dat appellante na afloop van de wettelijke wachttijd van 52 weken, op en na 29 juni 2003, minder dan 25% arbeidsongeschikt was.

In bezwaar heeft appellante zich op het standpunt gesteld dat haar beperkingen zijn onderschat. Appellante heeft in dat verband onder meer gewezen op een rapport van de haar behandelende psychiater-psychotherapeut Debije van 23 mei 2003. Debije meldde in zijn rapport een inmiddels opgetreden lichte verbetering van de klachten van appellante, met name haar depressieve klachten. Dit gold echter nog niet voor haar angstklachten: hoewel appellante minder vermeed, waren er nog veel dagelijkse situaties die zij uit de weg ging. Debije was dan ook van mening dat de opgestelde FML op onderdelen onvolledig was. De bezwaarverzekeringsarts Jonker achtte blijkens haar rapport van 22 augustus 2003 de door Debije (op onderdelen) voorgestane zwaardere beperkingen evenwel onvoldoende onderbouwd. Jonker zag met name geen aanleiding om appellante meer beperkt te achten op de items concentreren en verdelen van de aandacht en herinneren, dit mede gelet op door appellante in het verleden met succes gevolgde opleidingen. Volgens Jonker, die beklemtoonde dat van werken een belangrijk gezondheidsbevorderende werking uitgaat, moest appellante tevens in staat worden geacht tot het verrichten van de geduide functies. Al met al zag Jonker geen verzekeringsgeneeskundige argumenten om af te wijken van de eerdere conclusies van Gijbels. Vervolgens verklaarde het Uwv bij besluit van 28 augustus 2003 het bezwaar van appellante tegen het besluit van 20 mei 2003 ongegrond.

In beroep heeft appellante herhaald dat haar belastbaarheid is overschat. Appellante heeft daarbij gewezen op een nader schrijven van Debije van 4 december 2003, waarin deze zich gemotiveerd keerde tegen de bevindingen en conclusies van Jonker in haar rapport van 22 augustus 2003. Een en ander heeft geleid tot reacties van Jonker en Debije op elkaars standpunt.

De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellante tegen het besluit van 28 augustus 2003 (hierna: het bestreden besluit) ongegrond verklaard. De rechtbank heeft blijkens haar overwegingen de medische en arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit onderschreven.

Het hoger beroep van appellante keert zich met name tegen het oordeel van de rechtbank omtrent de medische grondslag van het bestreden besluit. Appellante houdt staande dat haar belastbaarheid is overschat. Appellante wijst in dit verband op de opvatting van Debije, die concludeert dat zij nog niet toe is aan een spanningsniveau dat overeenkomt met solliciteren en werken. Debije voorziet in dat geval een terugval van appellante. In de brief van 30 november 2004 heeft Debije toegelicht dat een sociale fobie dikwijls niet wordt gediagnosticeerd en dat, zo al een juiste diagnose wordt gesteld, de psychische beperkingen van de betrokkene worden onderschat. Namens appellante is daarnaast gewezen op de rapportage van de RIAGG Maastricht van 9 juni 2005. Volgens appellante rijst uit dit rapport een wezenlijk ander beeld op dan dat van een vrouw die in staat is tot het vervullen van de door het Uwv geduide functies. Appellante heeft ter onderbouwing van haar standpunt voorts gewezen op het rapport van 18 augustus 2005 van de psycholoog Waucomont, verbonden aan Argonaut Advies B.V. te Sittard. In dit rapport wordt geconcludeerd dat de psychische belastbaarheid van appellante thans ernstig wordt ondermijnd door het huidige klachtenbeeld in combinatie met de persoonsstructuur van appellante, zodat reïntegratie naar de arbeidsmarkt momenteel niet haalbaar wordt geacht. Volgens appellante was haar toestand op de datum in geding niet anders, althans niet beter. Appellante heeft de Raad verzocht over te gaan tot de inschakeling van een deskundige.

De Raad heeft, zoals in rubriek I is aangegeven, Vervoort en Boas benoemd als deskundigen voor het instellen van een onderzoek. Onder het stellen van de diagnose depressieve stoornis, recidiverend alsmede een persoonlijkheidsstoornis n.a.o. met trekken van ontwijkende, afhankelijke en obsessief-compulsieve persoonlijkheidsstoornis, geven Vervoort en Boas in hun rapport van 12 februari 2007 aan zich niet te kunnen verenigen met de vanwege het Uwv voor appellante vastgestelde belastbaarheid. Zij achten appellante evenmin in staat tot het verrichten van de geduide functies. Mede naar aanleiding van de reactie van Jonker in haar rapport van 29 maart 2007 – laatstgenoemde geeft daarin aan dat Vervoort en Boas de medische problematiek van appellante op zichzelf juist hebben beschreven, maar tot onjuiste, niet beargumenteerde conclusies zijn gekomen – hebben Vervoort en Boas in hun schrijven van 24 augustus 2007 gepreciseerd op welke onderdelen de belastbaarheid van appellante als geringer moet worden ingeschat dan zijdens het Uwv aangenomen. Vervoort en Boas geven aan dat de geringere belastbaarheid is gebaseerd op het gegeven dat er zeer waarschijnlijk een as-I-stoornis (depressieve stoornis) aanwezig was, gesuperponeerd op de persoonlijkheidsstoornis. Een en ander vindt bevestiging in het onderzoek van Debije. De visie van Jonker, dat van werken alleen maar een heilzame werking kan uitgaan, zien Vervoort en Boas als een oversimplificatie. De stap naar werk is soms nog te groot en kan dan wel degelijk een verergering in plaats van een vermindering van psychiatrische symptomatologie teweegbrengen. Dit is volgens hen bij appellante het geval.

Mede naar aanleiding van evenvermeld rapport van Jonker van 29 maart 2007 is namens appellante nog gewezen op het schrijven van Pentasz Mergelland van 15 mei 2007.

S. Bleeser-Stevens, klantmanager bij Pentasz Mergelland, maakt er in dit schrijven melding van dat appellante met ingang van 9 januari 2006 is geplaatst in een werkervaringstraject bij de talenacademie te Maastricht. Gedurende dit traject bleek dat appellante intensieve begeleiding nodig had, zeer onzeker was en vrijwel geen initiatieven durfde te nemen. Uit een met ingang van 1 december 2006 gestart vervolgtraject in de vorm van een bij dezelfde werkgever gecreëerde zogenoemde groeibaan, bedoeld voor personen met een grote afstand tot de arbeidsmarkt, is appellante bovendien andermaal uitgevallen met psychische klachten. Appellante bleek niet bestand tegen de in die functie voorkomende geringe extra druk. Bleeser-Stevens merkt op dat een en ander bij haar ernstige twijfel oproept met betrekking tot de inzetbaarheid van appellante op de reguliere arbeidsmarkt. In een beschutte werkomgeving en met intensieve begeleiding presteert appellante redelijk goed. Wordt de druk opgevoerd, dan blijkt appellante zeer snel terug te vallen in haar psychische problematiek. Volgens Bleeser-Stevens zal het dan ook moeilijk zijn voor appellante om werk te vinden en te behouden op de reguliere arbeidsmarkt.

Op de reactie van Vervoort en Boas van 24 augustus 2007 alsmede het schrijven van Pentasz van 15 mei 2007 heeft Jonker op 26 september 2007 andermaal uitvoerig gereageerd.

De Raad overweegt als volgt.

In vaste rechtspraak van de Raad ligt besloten dat de Raad het oordeel van een onafhankelijke door de bestuursrechter ingeschakelde deskundige in beginsel pleegt te volgen. Van feiten of omstandigheden op grond waarvan het aangewezen voorkomt in dit geval van dat uitgangspunt af te wijken is de Raad niet gebleken. Met name kan niet worden gezegd dat de deskundigen naar aanleiding van het commentaar van Jonker hun eigen oordeel niet serieus hebben overwogen. Het onderzoek van Vervoort en Boas is naar het oordeel van de Raad, mede gelet op hun nadere reactie, zorgvuldig, volledig en genoegzaam onderbouwd. Vervoort en Boas, die als onafhankelijke en onpartijdige psychiaters (in opleiding) bij uitstek de specifieke deskundigheid bezitten om beperkingen op het psychische vlak te onderkennen, hebben hun oordeel bovendien gebaseerd op een door hen afgenomen anamnese, eigen onderzoek van appellante en op de in het dossier aanwezige stukken, waaronder informatie van de behandelend sector. De Raad komt dan ook tot de slotsom dat uit het rapport van Vervoort en Boas van 12 februari 2007, in samenhang bezien met hun nadere reactie van 24 augustus 2007, in voldoende mate naar voren komt dat appellante meer beperkt is dan de (bezwaar)verzekeringsarts heeft aangenomen en dat het bestreden besluit mitsdien op een onjuiste medische grondslag berust.

Gelet op het vorenstaande is het bestreden besluit niet deugdelijk gemotiveerd. Het bestreden besluit komt wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) voor vernietiging in aanmerking. De aangevallen uitspraak, waarbij dat besluit in stand is gelaten, treft hetzelfde lot.

Het verzoek van appellante om vergoeding van wettelijke rente komt thans niet voor toewijzing in aanmerking, omdat nadere besluitvorming door het Uwv noodzakelijk is en thans niet vaststaat of er schade is geleden, dan wel wat de omvang daarvan is. Zo die schade er wel blijkt te zijn en het Uwv die niet reeds uit eigen beweging vergoedt, staat het appellante vrij zich met een daartoe strekkend verzoek tot het Uwv te richten.

De Raad acht termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van de Awb het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellante in beroep en in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 83,60 voor kosten van deskundigenrapporten, op € 644,- voor verleende rechtsbijstand in beroep en op € 644,- voor verleende rechtsbijstand in hoger beroep, in totaal € 1.371,60.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep tegen het bestreden besluit gegrond en vernietigt dat besluit;

Bepaalt dat het Uwv een nieuw besluit op bezwaar neemt met inachtneming van deze uitspraak van de Raad;

Veroordeelt de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen in de proceskosten van appellante in beroep en in hoger beroep tot een bedrag groot

€ 1.371,60, te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan de griffier van de Raad;

Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan appellante het betaalde griffierecht in beroep en hoger beroep van in totaal € 133,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door H. Bolt als voorzitter en C.W.J. Schoor en H.G. Rottier als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M. Lochs als griffier, uitgesproken in het openbaar op 8 januari 2008.

(get.) H. Bolt.

(get.) M. Lochs.

MK