Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BC2440

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
17-01-2008
Datum publicatie
22-01-2008
Zaaknummer
05-5294 AOW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Inkomsten uit arbeid van echtgenote: terugvordering en boete. Niet verschoonbare termijnoverschrijding van het bezwaar tegen het herzieningsbesluit.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

05/5294 AOW

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellanten],

tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 12 juli 2005, 05/102 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

[Betrokkene], (hierna: betrokkene)

en

de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (hierna: Svb).

Datum uitspraak: 17 januari 2008

I. PROCESVERLOOP

Betrokkene heeft hoger beroep ingesteld.

De Svb heeft een verweerschrift ingediend.

De Svb heeft de Raad medegedeeld dat betrokkene begin 2007 is overleden. De Raad gaat ervan uit dat de procedure wordt voortgezet door de erven.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 8 november 2007. Appellanten zijn niet verschenen. De Svb heeft zich laten vertegenwoordigen door drs. A. Slovacek.

II. OVERWEGINGEN

De Svb heeft aan betrokkene met ingang van juni 1989 een ouderdomspensioen ingevolge de Algemene Ouderdomswet (AOW) toegekend. Voorts heeft de Svb met ingang van 1 januari 1997 aan betrokkene een volledige toeslag ingevolge de AOW toegekend, omdat zijn echtgenote, met wie hij vanaf die datum samenwoonde, de leeftijd van 65 jaar nog niet had bereikt. Bij de vaststelling van de hoogte van de toeslag is de Svb er, op grond van door betrokkene verstrekte informatie, van uitgegaan dat de echtgenote van betrokkene geen inkomsten had, dan wel dat haar inkomen zodanig was dat het niet leidde tot korting van de toeslag.

In maart 2002 heeft de Svb een melding van de Belastingdienst ontvangen waaruit blijkt dat de echtgenote van betrokkene sinds oktober 1999 inkomsten uit arbeid heeft.

Naar aanleiding hiervan heeft de Svb bij besluit van 21 juni 2004 de aan betrokkene toegekende toeslag over de periode van oktober 1999 tot januari 2004 herzien en nader vastgesteld op in dat besluit genoemde bedragen. Daarbij heeft de Svb aangegeven dat het inkomen van de echtgenote van betrokkene inkomen uit arbeid vormt welk inkomen gedeeltelijk op de toeslag in mindering dient te worden gebracht.

Voorts heeft de Svb bij besluit van 28 juli 2004 de over voornoemde periode te veel betaalde uitkering ten bedrage van € 3.753,58 van betrokkene teruggevorderd en hem een boete van € 385,-- opgelegd omdat de wijziging in het inkomen van zijn echtgenote niet binnen 4 weken is doorgegeven.

Bij beslissing op bezwaar van 1 december 2004 (hierna: besluit 1) heeft de Svb betrokkenes bezwaar voor zover dat was gericht tegen het herzieningsbesluit van 21 juni 2004 wegens overschrijding van de bezwaartermijn niet-ontvankelijk verklaard. Betrokkenes bezwaren tegen de terugvordering en de boete zijn ongegrond verklaard.

Bij nadere beslissing op bezwaar van 23 mei 2005 (hierna: besluit 2) heeft de Svb het bezwaar gegrond verklaard wat betreft de hoogte van de boete en deze vastgesteld op € 253,--. Het bezwaar tegen de herziening en de terugvordering is wederom ongegrond verklaard.

De rechtbank heeft besluit 2 met toepassing van artikel 6:19 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) betrokken bij de procedure in beroep. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep ongegrond verklaard.

De Raad overweegt het volgende.

Besluit 1

De Raad stelt voorop dat met besluit 2 niet geheel aan het beroep van betrokkene is tegemoet gekomen en de rechtbank dat besluit terecht met toepassing van de artikelen 6:18, eerste lid, en 6:19, eerste lid van de Awb bij het beroep heeft betrokken. De rechtbank heeft echter niet onderkend, dat zij zich een oordeel had moeten vormen over het beroep tegen het besluit 1. Ook in het dictum van de aangevallen uitspraak zijn beide besluiten op bezwaar ten onrechte niet onderscheiden.

Op grond van het voorgaande komt de aangevallen uitspraak voor vernietiging in aanmerking.

De Raad stelt vast dat de Svb besluit 1 niet langer handhaaft, nu uit besluit 2 voortvloeit dat de Svb de opgelegde boete heeft verlaagd. Dit betekent dat betrokkene geen belang meer heeft bij het beroep tegen besluit 1, aangezien de grieven inzake dat besluit bij de toetsing van besluit 2, waar nodig, aan de orde kunnen komen. Het beroep van betrokkene tegen besluit 1 wordt derhalve niet-ontvankelijk geacht, nu niet is gebleken van enig belang van betrokkene bij een inhoudelijk oordeel over besluit 1.

Besluit 2

Herziening

Bij besluit 2 is het bezwaar tegen de herziening niet-ontvankelijk verklaard wegens niet verschoonbare overschrijding van de bezwaartermijn.

De rechtbank heeft desondanks de herziening inhoudelijk beoordeeld. De rechtbank heeft daartoe overwogen dat betrokkene in gebreke is gebleven met het verstrekken van inkomensgegevens aan de Svb en dat hij hierdoor over de periode oktober 1999 tot januari 2004 te veel aan toeslag heeft ontvangen. Gelet op het door de Svb op dit punt gevoerde beleid heeft de rechtbank geen aanleiding gezien om geheel of gedeeltelijk van herziening af te zien.

De Raad is van oordeel dat de rechtbank hiermee heeft miskend dat de rechter gehouden is de ontvankelijkheid van het bezwaar, als zijnde van openbare orde, ambtshalve te toetsen alvorens aan een inhoudelijke toets van het bezwaar toe te komen. Ook reeds in zoverre komt de aangevallen uitspraak voor vernietiging in aanmerking.

Doende wat de rechtbank had behoren te doen, overweegt de Raad als volgt.

De termijn voor het indienen van een bezwaarschrift bedraagt ingevolge artikel 6:7 van Awb zes weken. Nu betrokkene eerst met zijn brief van 1 september 2004 bezwaar heeft aangetekend tegen het herzieningsbesluit van 21 juni 2004, moet worden geoordeeld dat het bezwaar niet tijdig is ingesteld. Vervolgens dient de vraag te worden beantwoord of er aanleiding bestaat om de termijnoverschrijding verschoonbaar te achten. Ingevolge artikel 6:11 van de Awb blijft niet-ontvankelijkverklaring van het bezwaar op grond van termijnoverschrijding achterwege, indien redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener van het bezwaarschrift in verzuim is geweest. Betrokkene heeft daartoe aangevoerd dat hij na meermaals contact hierover te hebben gehad met de Svb ten einde raad binnen de termijn van het latere terugvorderingbesluit bezwaar heeft gemaakt, welk besluit volgens hem inhoudelijk gelijk was aan het herzieningsbesluit van 21 juni 2004. De Raad ziet hierin geen aanleiding om in het onderhavige geval de termijnoverschrijding verschoonbaar te achten.

Gezien het vorenstaande kunnen de rechtsgevolgen van besluit 2 in zoverre in stand blijven.

Terugvordering

Met het voorgaande staat vast dat de Svb de in de herziene periode te veel uitbetaalde uitkering onverschuldigd heeft betaald en gehouden was dit bedrag terug te vorderen, behoudens voor zover dringende redenen daaraan in de weg zouden staan. Evenals de rechtbank en onder verwijzing naar het door de rechtbank op dit geschilpunt overwogene is de Raad van oordeel dat van dringende redenen in de zin van de van toepassing zijnde wettelijke bepalingen om geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te zien niet is gebleken.

Boete

Bij besluit 2 heeft de Svb met toepassing van het op 1 februari 2001 in werking getreden Boetebesluit sociale zekerheidswetten (hierna: het Besluit) de opgelegde boete van € 385,-- vervangen door een boete van € 253,--.

Wat betreft de hoogte van de boete heeft de Svb zich gebaseerd op het benadelingsbedrag dat is ontstaan over de periode oktober 1999 tot en met de datum melding van de Belastingsdienst in maart 2002 ten bedrage van € 2.442,35. Onder toepassing van artikel 2 van het Besluit heeft de Svb de boete vastgesteld op 10% van het benadelingsbedrag en naar boven afgerond op een veelvoud van € 11,--.

De Raad is van oordeel dat de Svb ingevolge artikel 17c van de AOW terecht een boete heeft opgelegd op de grond dat betrokkene zijn mededelingsverplichting als bedoeld in artikel 49 van de AOW heeft geschonden aangezien hij de Svb de wijziging in het inkomen van zijn echtgenote niet onverwijld heeft medegedeeld. Niet is gebleken van het ontbreken van verwijtbaarheid dan wel het aanwezig zijn van dringende redenen om af te zien van het opleggen van een boete. Nu de hoogte van de boete is berekend in overeenstemming met artikel 2 van het Besluit, kan de opgelegde boete naar het oordeel van de Raad in rechte stand houden.

Tot slot acht de Raad geen termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep tegen besluit 1 niet-ontvankelijk;

Verklaart het beroep tegen besluit 2 gegrond voor zover dat besluit de herziening betreft en bepaalt dat de rechtsgevolgen van dat besluit in zoverre in stand blijven;

Verklaart het beroep tegen besluit 2 voor het overige ongegrond;

Bepaalt dat de Sociale verzekeringsbank aan appellanten het betaalde griffierecht van in totaal € 140,-- dient te vergoeden.

Deze uitspraak is gedaan door T.L. de Vries. De beslissing is, in tegenwoordigheid van A. Kovács als griffier, uitgesproken in het openbaar op 17 januari 2008.

(get.) T.L. de Vries.

(get.) A. Kovács.

IJ