Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BC2438

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
08-01-2008
Datum publicatie
22-01-2008
Zaaknummer
06-7139 ANW + 06-7140 ANW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Terugvordering en boete. Gezamenlijke huishouding. Wederzijdse zorg.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

06/7139 ANW

06/7140 ANW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellante] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Groningen van 26 oktober 2006, 05/689 en 06/73 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (hierna: Svb)

Datum uitspraak: 8 januari 2008

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. G. Bakker, advocaat te Groningen, hoger beroep ingesteld.

De Svb heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 27 november 2007. Appellante is, met kennisgeving, niet ter zitting verschenen. De Svb heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M. Zuidersma, werkzaam bij de Sociale verzekeringsbank.

II. OVERWEGINGEN

De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

Appellante ontving sedert 1 januari 2001 een nabestaandenuitkering op grond van de Algemene nabestaandenwet (Anw). De Svb heeft naar aanleiding van het gegeven dat op het adres van appellante [L. ] (hierna: [L. ]) stond ingeschreven, een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan appellante verleende uitkering. In dat kader is appellante verzocht informatie te verstrekken en is op 2 december 2004 een huisbezoek gebracht aan de woning van appellante. Bij die gelegenheid is een formulier Checklist onderzoek leefsituatie AOW/Anw ingevuld, dat door appellante is ondertekend. Van het huisbezoek is op 3 december 2004 een rapport opgemaakt. Op basis van de onderzoeksbevindingen heeft de Svb geconcludeerd dat appellante vanaf 1 oktober 2003 een gezamenlijke huishouding met [L. ] voert. Bij besluit van 31 december 2004 heeft de Svb de nabestaandenuitkering van appellante met ingang van 1 oktober 2003 ingetrokken. De Svb heeft vervolgens bij besluit van 9 mei 2005, voor zover hier van belang, de ten onrechte verleende uitkering over de periode van oktober 2003 tot en met december 2004 tot een bedrag van € 15.154,28 van appellante teruggevorderd en haar tevens een boete opgelegd ten bedrage van € 1.518,--.

Bij besluiten van 29 april 2005 en 25 november 2005, voor zover hier van belang, heeft de Svb de bezwaren tegen de besluiten van respectievelijk 31 december 2004 en 9 mei 2005 ongegrond verklaard.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank de beroepen tegen de besluiten van 29 april en 25 november 2005 ongegrond verklaard.

Appellante heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen deze uitspraak gekeerd en aangevoerd dat er geen sprake is van een gezamenlijke huishouding en dat [L. ] op basis van een zakelijke kostgangersrelatie in haar woning verblijft.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

In artikel 16, eerste lid, aanhef en onder b, van de Anw is bepaald dat het recht op nabestaandenuitkering eindigt indien de nabestaande in het huwelijk treedt dan wel een gezamenlijke huishouding gaat voeren anders dan ten behoeve van de verzorging van een hulpbehoevende.

Op grond van artikel 3, derde lid, van de Anw is sprake van een gezamenlijke huishouding indien twee personen hun hoofdverblijf in dezelfde woning hebben en zij blijk geven zorg te dragen voor elkaar door middel van een bijdrage in de kosten van de huishouding dan wel anderszins.

Niet in geding is, dat appellante en [L. ] sinds oktober 2003 hun hoofdverblijf hebben in dezelfde woning, zodat aan het eerste criterium voor het aannemen van een gezamenlijke huishouding is voldaan.

Het tweede criterium waaraan moet zijn voldaan, is dat van de wederzijdse verzorging.

Deze kan blijken uit een bepaalde mate van financiële verstrengeling tussen de betrokkenen die verder gaat dan het uitsluitend delen van woonlasten en hiermee samenhangende lasten. Indien van een zodanige verstrengeling niet of slechts in geringe mate sprake is, kunnen ook andere feiten en omstandigheden voldoende zijn om aan te nemen dat betrokkenen in elkaars verzorging voorzien. Een afweging van alle ten aanzien van betrokkenen gebleken feiten en omstandigheden, die van subjectieve aard zijn, zal bepalend zijn voor het antwoord op de vraag of aan het verzorgingscriterium in een concreet geval is voldaan.

Naar het oordeel van de Raad bieden de gedingstukken waaronder met name de door appellante ondertekende Checklist onderzoek leefsituatie AOW/Anw, een toereikende grondslag voor het standpunt van de Svb dat ook aan het tweede criterium is voldaan. De Raad verwijst kortheidshalve naar het besluit van de Svb van 29 april 2005 en naar de aangevallen uitspraak waarin de belangrijkste aspecten van de wederzijdse zorg zijn opgesomd.

Van de zijde van appellante is aangevoerd dat zij het huisbezoek als dwingend en onprettig heeft ervaren en dat zij van oordeel is dat de checklist door de medewerker van de Svb op suggestieve wijze is ingevuld waardoor sprake is van een onzorgvuldig onderzoek. De Raad volgt appellante hierin niet. De gedingstukken bieden immers onvoldoende aanknopingspunten om aan te nemen dat het gesprek tijdens het huisbezoek onder ontoelaatbare druk heeft plaats gevonden als gevolg waarvan appellante niet in vrijheid heeft kunnen verklaren dan wel dat appellante om andere redenen niet in staat was over haar dagelijkse woon- en leefstituatie te verklaren. Appellante heeft voorts zonder voorbehoud de ingevulde checklist ondertekend en voor, tijdens en onmiddellijk na het gesprek niet gemeld dat zij vanwege het dwingende karakter van het gesprek niet heeft kunnen verklaren zoals zij wilde.

Naar het oordeel van de Raad is niet aangetoond dat sprake is van een door zakelijke verhoudingen beheerste kostgangersrelatie. Daarbij heeft de Raad onder meer van belang geacht dat ten tijde hier van belang (1 oktober 2003) ter zake van kost en inwoning geen schriftelijk contract was opgemaakt. De door appellante overgelegde schriftelijke overeenkomst dateert van 1 maart 2004. Voorts heeft de Raad in aanmerking genomen dat geen betalingsbewijzen zijn overgelegd en dat de gestelde bijdrage van € 225,-- per maand niet als een reële zakelijke vergoeding kan worden beschouwd voor hetgeen voor onderdak en verzorging wordt geboden, maar veeleer moet worden gekwalificeerd als een bijdrage van [L. ] in de kosten van de huishouding. Uit de gedingstukken blijkt verder dat [L. ] afgezien van de slaapkamer van appellante, van de gehele woning van appellante gebruik maakt. Naar het oordeel van de Raad gaat die omstandigheid hetgeen in een kostgangersrelatie gebruikelijk is, te boven.

De Raad constateert voorts dat, ondanks de lichamelijke gevolgen die appellante ondervindt van een ongeval, de reden van het voeren van de gezamenlijke huishouding niet is terug te voeren op de verzorging van een hulpbehoevende. Appellante heeft immers verklaard dat [L. ] bij haar is ingetrokken omdat hij noodgedwongen zijn eigen woning heeft moeten verlaten.

Gezien het voorgaande heeft de Svb de nabestaandenuitkering van appellante terecht met toepassing van artikel 34, eerste lid, van de Anw met ingang van 1 oktober 2003 ingetrokken. In hetgeen appellante heeft aangevoerd ziet de Raad geen dringende redenen als bedoeld in het tweede lid van artikel 34 van de Anw zodat de Svb niet bevoegd is geheel of gedeeltelijk van deze intrekking af te zien.

Met het voorgaande is tevens gegeven dat is voldaan aan de voorwaarden voor toepassing van artikel 53, eerste lid, van de Anw, zodat de Svb gehouden was tot terugvordering over te gaan van de ten onrechte verleende nabestaandenuitkering over de periode van 1 oktober 2003 tot en met 31 december 2004. In hetgeen appellante heeft aangevoerd ziet de Raad geen dringende redenen als bedoeld in artikel 53, vierde lid, van de Anw, zodat de Svb niet bevoegd was geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te zien.

Met betrekking tot de door de Svb opgelegde boete neemt de Raad over hetgeen door de rechtbank in de aangevallen uitspraak is overwogen. Daaraan voegt de Raad toe dat hij ook in de in het tweede aanvullend beroepschrift aangevoerde argumenten van appellante geen dringende redenen ziet op grond waarvan de Svb had moeten afzien van het opleggen van een boete.

Uit het vorenstaande vloeit voort dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door A.B.J. van der Ham als voorzitter en K. Zeilemaker en J.J.A. Kooijman als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van P.C. de Wit als griffier, uitgesproken in het openbaar op 8 januari 2008.

(get.) A.B.J. van der Ham

(get.) P.C. de Wit

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Postbus 20303, 2500 EH ’s-Gravenhage) ter zake van schending of verkeerde toepassing van bepalingen inzake het begrip gezamenlijke huishouding.

IJ030108