Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BC2437

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
11-01-2008
Datum publicatie
22-01-2008
Zaaknummer
05-3680 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Anticumulatie. Herziening WAO-uitkering. Terugvordering. Schending informatie plicht. Inkomsten schattenderwijs vastgesteld.

Zorgvuldig onderzoek?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

05/3680 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant],

tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 26 april 2005, 04/3191 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv)

Datum uitspraak 11 januari 2008

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. J. Verbeeke, advocaat te Rotterdam, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 30 november 2007. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Verbeeke. Het Uwv was vertegenwoordigd door

drs. J. Hut.

II. OVERWEGINGEN

Appellant was werkzaam als internationaal vrachtwagenchauffeur toen hij in 1980 betrokken raakte bij een ongeval. Per 17 april 1981 zijn hem arbeidsongeschiktheids-uitkeringen ingevolge de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet (AAW) en de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend, laatstelijk naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80% of meer.

Een onderzoek heeft het Uwv tot de conclusie gebracht dat appellant in de periode

19 oktober 1998 tot 19 februari 2003 betaalde werkzaamheden als vrachtwagenchauffeur heeft verricht zonder hiervan aan de uitvoeringsinstelling mededeling te hebben gedaan.

Bij besluiten van 15 juli 2003 heeft het Uwv de arbeidsongeschiktheidsuitkering van appellant:

­ per 19 oktober 1998 met toepassing van artikel 44 van de WAO uitbetaald naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 55-65%;

­ per 19 oktober 2001 herzien naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 35-45%;

­ per 1 januari 2002 herzien naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 25-35%.

Bij besluit van 23 juli 2003 heeft het Uwv van appellant een bedrag van € 86.647,68 bruto over de periode van 19 oktober 1998 tot en met 31 juli 2003 onverschuldigd betaalde WAO-uitkering teruggevorderd.

Bij besluit van 12 februari 2004 heeft het Uwv de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant per 1 januari 2002 ongewijzigd vastgesteld op 25-35%.

Bij besluit van eveneens 12 februari 2004 heeft het Uwv de WAO-uitkering van appellant per 20 januari 2004 herzien naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80% of meer.

Tegen al deze besluiten heeft appellant bezwaar gemaakt.

Bij besluit van 15 september 2004 zijn deze bezwaren ongegrond verklaard.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

Appellant heeft erkend werkzaamheden te hebben verricht en inkomsten te hebben genoten. Hij betwist evenwel de omvang van deze werkzaamheden en de hoogte van de door hem ontvangen betalingen. De gevolgen van de schending van de informatieplicht zouden niet volledig op appellant moeten worden afgewenteld. Voorts heeft appellant aangevoerd dat van de terugvordering vanwege dringende redenen zou moeten worden afgezien. Ten slotte zou de herziening van de WAO-uitkering eerder dan per 20 januari 2004 moeten ingaan.

In hetgeen appellant in hoger beroep naar voren heeft gebracht, heeft de Raad geen aanleiding gezien om tot een ander oordeel te komen dan door de rechtbank in de aangevallen uitspraak is neergelegd.

In vaste rechtspraak van de Raad is neergelegd dat in de situatie dat een verzekerde aan wie een arbeidsongeschiktheidsuitkering is toegekend inkomsten uit arbeid heeft verworven, waarvan door deze verzekerde niet tijdig aan de uitvoeringsinstelling mededeling is gedaan, en over de hoogte van die inkomsten geen zekerheid kan worden verkregen omdat daarover geen concrete gegevens voorhanden zijn, de uitvoeringsinstelling de bevoegdheid toekomt achteraf en schattenderwijs tot vaststelling van de omvang van die inkomsten over te gaan, zij het dat de uitvoeringsinstelling daarbij zorgvuldig te werk dient te gaan en inzichtelijk moet maken hoe het tot die vaststelling is gekomen. Omdat appellant van zijn inkomsten uit arbeid geen mededeling heeft gedaan aan het Uwv komt het risico dat de schatting door het Uwv van de door appellant verworven inkomsten niet (geheel) overeenkomt met diens werkelijke verdiensten voor rekening van appellant, behalve wanneer appellant alsnog aan de hand van concrete en verifieerbare gegevens aannemelijk kan maken dat die schatting onjuist is. In het voorliggende geval heeft appellant zodanige concrete en verifieerbare gegevens niet in het geding gebracht.

Appellant heeft in dit verband gewezen op een brief van Secure Logistics van 13 april 2005 waaruit blijkt dat appellant tussen 19 april 2000 en 30 juli 2001 vanwege een geblokkeerde cargo-card geen toegang had tot de ECT-terminal. Volgens appellant is daarom de in het rapport uitkeringsfraude opgenomen conclusie dat appellant in die periode maar liefst 80 maal met zijn cargo-card de poort van de ECT-terminal zou zijn gepasseerd, aantoonbaar onjuist.

De Raad stelt allereerst vast dat in genoemde brief van 13 april 2005 slechts is vermeld dat voor appellant in het verleden driemaal een kaart is aangevraagd en aangemaakt. De eerste kaart, aangemaakt op 5 februari 1999, is op een onbekende datum en om onbekende reden geblokkeerd. Een tweede kaart is op 22 oktober 1999 aangemaakt en op 19 april 2000 om onbekende reden geblokkeerd, waarna op 30 juli 2001 een derde kaart is aangemaakt, welke op 5 augustus 2003 is geblokkeerd.

De Raad volgt appellant niet dat daaruit volgt dat appellant in genoemde periode geen toegang had tot de ECT-terminal en dat het rapport werknemersfraude op dit punt dus aantoonbaar onjuist zou zijn. De Raad volstaat in dit verband met de vaststelling dat uit de gedingstukken naar voren komt dat de ECT-terminal ook op andere wijzen dan met een cargo-card kon worden gepasseerd. Zo is op een door de ECT aan de belastingdienst gegeven overzicht “chauffeurs” van 12 november 2002 vermeld dat aan appellant op

29 juni 2001 en 27 juli 2001, dus in de periode waarin de cargo-card van appellant geblokkeerd zou zijn, een zogenaamde dagkaart is verstrekt. De Raad voegt daar nog aan toe dat appellant ook zelf heeft aangegeven dat het toegangssysteem met cargo-cards niet waterdicht is. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen over de bewijslast en de verdeling van het risico in zaken als deze heeft appellant met de genoemde brief van 13 april 2005 naar het oordeel van de Raad daarmee niet een zodanig concreet en verifieerbaar gegeven in het geding gebracht dat daaruit volgt dat de schatting van het Uwv onjuist zou zijn.

De Raad heeft voorts geen aanknopingspunten gevonden voor het oordeel dat door het Uwv onzorgvuldig te werk is gegaan dan wel onvoldoende inzichtelijk is gemaakt hoe het tot de vaststelling van de omvang van de door appellant verworven inkomsten is gekomen. De Raad verwerpt evenals de rechtbank de stellingen die appellant in dit verband heeft opgeworpen over de waardering van de uit de betaallijsten naar voren komende gegevens en de mate van betrouwbaarheid van de verklaringen zoals opgenomen in de bijlagen van het rapport werknemersfraude. De Raad onderschrijft de daartoe door de rechtbank gebezigde overwegingen.

De Raad is evenmin gebleken dat het Uwv om dringende redenen van terugvordering had dienen af te zien.

Volgens vaste rechtspraak kunnen dringende redenen als bedoeld in artikel 57, vierde lid, van de WAO slechts gelegen zijn in de onaanvaardbaarheid van de gevolgen die een terugvordering voor een verzekerde heeft. De enkele stelling dat appellant de rest van zijn leven zal moeten rondkomen van een minimuminkomen, is geen dringende reden in vorenbedoelde zin.

Met betrekking tot de herziening van de WAO-uitkering van appellant per 20 januari 2004, en niet eerder, overweegt de Raad als volgt. Uit de gedingstukken blijkt dat de verzekeringsgeneeskundige beoordeling op 26 augustus 2003 heeft plaatsgevonden en de arbeidskundige beoordeling op 20 januari 2004. Hoewel het Uwv deze herbeoordeling van de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant wat voortvarender had kunnen afronden, is de Raad evenwel niet van oordeel dat hier sprake is van een zodanige mate van onzorgvuldige gevalsbehandeling dat het besluit om die reden niet in stand kan worden gelaten.

Uit het vorenstaande volgt dat het hoger beroep niet slaagt.

De Raad ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J. Janssen als voorzitter en J. Brand en J.P.M. Zeijen als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M.C.T.M. Sonderegger als griffier, uitgesproken in het openbaar op 11 januari 2008.

(get) J. Janssen.

(get) M.C.T.M. Sonderegger.

HS