Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BC2433

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
08-01-2008
Datum publicatie
22-01-2008
Zaaknummer
06-2701 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking en terugvordering. Overschijding vrij te laten vermogen. Onvoldoende feitelijke grondslag voor de conclusie dat als gevolg van de schending van de inlichtingenverplichting het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

06/2701 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 13 april 2006, 05/3913 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Rotterdam (hierna: College)

Datum uitspraak: 8 januari 2008

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. A.L. Kuit, advocaat te Rotterdam, hoger beroep ingesteld, en is een nader stuk aan de Raad gezonden.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 27 november 2007. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Kuit. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. drs. A. Th. Stapelkamp, werkzaam bij de gemeente Rotterdam.

II. OVERWEGINGEN

Gelet op de gedingstukken en het verhandelde ter zitting gaat de Raad uit van de volgende, in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

Appellant ontving sinds 1 september 2000 bijstand van het College, laatstelijk op grond van de Wet werk en bijstand (WWB).

Naar aanleiding van een signaal dat appellant zelfstandige werkzaamheden zou verrichten en in het bezit zou zijn van een Triumph Spitfire is door de afdeling Bijzondere Onderzoeken van de dienst Sociale Zaken en Werkgelegenheid van de gemeente Rotterdam een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan appellant verleende bijstand. Uit dit onderzoek is - onder meer - gebleken dat appellant reeds sinds de aanvang van de bijstandverlening een auto op zijn naam heeft staan, zonder dat hij daarvan aan het College mededeling heeft gedaan. Deze auto, een Triumph Spitfire MK IV, [kentekennummer, bouwjaar], heeft appellant in november 2003 te koop aangeboden voor een bedrag van € 6.500,--. Appellant heeft de auto op 2 januari 2004 verkocht voor een bedrag van € 1.000,--.

De onderzoeksresultaten zijn voor het College aanleiding geweest bij besluit van 2 juli 2004 de bijstand van appellant over de periode van 1 september 2000 tot en met 30 november 2003 te herzien (lees: in te trekken) en de over die periode gemaakte kosten van bijstand tot een bedrag van € 40.519,96 van appellant terug te vorderen (besluit 1). Bij separaat besluit van 2 juli 2004 (besluit 2) heeft het College de bijstand met ingang van 1 december 2003 beëindigd. Daaraan heeft het College ten grondslag gelegd dat appellant over vermogen beschikt en inkomsten heeft uit werkzaamheden als zelfstandige, waarvan hij geen melding heeft gemaakt bij het College.

Bij besluit van 28 juli 2005 heeft het College de bezwaren tegen de besluiten van 2 juli 2004 ongegrond verklaard.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank, met bepalingen omtrent griffierecht en proceskosten, het beroep tegen het besluit van 28 juli 2005 gegrond verklaard, dat besluit wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) vernietigd en bepaald dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven. Naar het oordeel van de rechtbank heeft appellant de inlichtingenverplichting geschonden door bij het College geen melding te maken van het bezit van een Triumph Spitfire, als gevolg waarvan het recht op bijstand over de gehele in geding zijnde periode niet meer kan worden vastgesteld. Het risico dat de waarde van de auto niet (meer) kan worden vastgesteld dient naar het oordeel van de rechtbank voor rekening van appellant te blijven. Ten aanzien van de door appellant verrichte werkzaamheden heeft de rechtbank - ten overvloede – overwogen dat de door het College verstrekte gegevens onvoldoende aanknopingspunten bieden voor de conclusie dat appellant in de periode van 1 september 2000 tot en met 30 november 2003 inkomsten verwierf uit zelfstandige werkzaamheden.

Appellant heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen de aangevallen uitspraak gekeerd voor zover daarbij de rechtsgevolgen van het besluit van 28 juli 2005 in stand zijn gelaten. Meer specifiek richt het hoger beroep zich tegen het oordeel van de rechtbank dat als gevolg van de schending van de inlichtingenverplichting ten aanzien van het bezit van de auto, het recht op bijstand over de in geding zijnde periode niet kan worden vastgesteld.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

Niet in geschil is dat het kenteken van de betreffende auto in de gehele in geding zijnde periode geregistreerd stond op naam van appellant. Tevens staat vast dat appellant niet tijdig en op de voorschreven wijze melding heeft gemaakt van het bezit van de auto, zodat hij de op hem rustende inlichtingenverplichting heeft geschonden.

Intrekking en terugvordering over de periode van 1 september 2000 tot en met

30 november 2003

De Raad onderschrijft het oordeel van de rechtbank dat als gevolg van de schending van de inlichtingenverplichting het recht op bijstand gedurende de periode van 1 september 2000 tot 1 december 2003 niet kan worden vastgesteld. Weliswaar is door appellant op 19 september 2007 een taxatierapport in het geding gebracht van Expertise-bureau Rijnders, Dol en Mandema B.V. volgens welke taxatie de waarde van de auto in december 2003 is bepaald op € 3.000,--, maar daarmee is geen duidelijkheid geschapen over de waarde van de auto in de periode van 1 september 2000 tot 1 december 2003. Gelet hierop kan niet meer worden vastgesteld in hoeverre appellant in die periode verkeerde in omstandigheden als bedoeld in artikel 11, eerste lid, van de WWB.

Gelet op het vorenstaande was het College bevoegd om met toepassing van artikel 54, derde lid, aanhef en onder a, van de WWB over te gaan tot intrekking van de bijstand over de periode van 1 september 2000 tot 1 december 2003. Het College heeft gehandeld in overeenstemming met het ter zake van intrekking gehanteerde, door de Raad niet onredelijk geachte beleid. In hetgeen appellant heeft aangevoerd ziet de Raad geen bijzondere omstandigheden op grond waarvan het College met overeenkomstige toepassing van artikel 4:84 (slot) van de Awb van zijn beleid had moeten afwijken.

Met het voorgaande is tevens gegeven dat het College bevoegd was met toepassing van artikel 58, eerste lid, aanhef en onder a, van de WWB de over de periode van 1 september 2000 tot en met 30 november 2003 gemaakte kosten van bijstand van appellant terug te vorderen. Ook ter zake van de terugvordering heeft het College in overeenstemming met het door hem gehanteerde, door de Raad niet onredelijk geachte, beleid besloten. In hetgeen appellant heeft aangevoerd ziet de Raad geen bijzondere omstandigheden op grond waarvan het College, met overeenkomstige toepassing van artikel 4:84 (slot) van de Awb in afwijking van het beleid van terugvordering had moeten afzien.

Intrekking met ingang van 1 december 2003

De Raad stelt eerst vast dat het besluit van 2 juli 2004 waarbij de bijstand van appellant met ingang van 1 december 2003 is beëindigd, dient te worden beschouwd als een intrekkingsbesluit. Naar vaste rechtspraak van de Raad bestrijkt de door de bestuursrechter te beoordelen periode in een dergelijk geval de periode van 1 december 2003 tot en met de datum van het primaire besluit. Gelet op hetgeen partijen in hoger beroep hebben aangevoerd en het verhandelde ter zitting is uitsluitend in geschil of het College terecht de bijstand van appellant heeft ingetrokken over de periode van 1 december 2003 tot 2 januari 2004. De Raad zal dan ook slechts die periode beoordelen.

Anders dan de rechtbank ziet de Raad onvoldoende feitelijke grondslag voor de conclusie dat als gevolg van de schending van de inlichtingenverplichting het recht op bijstand over de periode van 1 december 2003 tot 2 januari 2004 niet kan worden vastgesteld. Daartoe overweegt de Raad dat blijkens het eerdergenoemde taxatierapport de waarde van de auto in december 2003 is bepaald op € 3.000,-- De Raad is van oordeel dat het taxatierapport voldoende basis biedt om aan te nemen dat de onderhandse vrije verkoopwaarde van de auto in de periode van 1 december 2003 tot 2 januari 2004 € 3.000,-- bedroeg nu er geen aanwijzingen zijn dat de door de taxateur vastgestelde waarde onjuist zou zijn. De Raad concludeert op grond van de beschikbare gegevens dat de waarde van de auto in voormelde periode de grens van het vrij te laten vermogen niet overtrof. Aangezien niet is gebleken dat appellant over ander vermogen beschikte of redelijkerwijs kon beschikken, vloeit uit het vorenstaande voort dat de rechtbank ten onrechte de rechtsgevolgen van het besluit van 28 juli 2005 in stand heeft gelaten voor zover daarbij besluit 2 is gehandhaafd.

In zoverre slaagt het hoger beroep.

Slotoverwegingen

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen dient de aangevallen uitspraak te worden vernietigd voor zover daarbij de rechtsgevolgen van het besluit van 28 juli 2005 in stand zijn gelaten ten aanzien van de intrekking van bijstand over de periode van 1 december 2003 tot 2 januari 2004. Dit betekent dat de rechtbank de rechtsgevolgen van het besluit van 28 juli 2005 terecht in stand heeft gelaten voor zover bij dit besluit is beslist op het bezwaar tegen besluit 1. De Raad zal het College opdragen een nieuw besluit op het bezwaar van appellant tegen besluit 2 te nemen met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen.

De Raad ziet tenslotte aanleiding het College te veroordelen in de proceskosten van appellant in hoger beroep. De kosten worden begroot op € 644,-- voor verleende rechtsbijstand.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak voor zover daarbij de rechtsgevolgen van het besluit van 28 juli 2005 in stand zijn gelaten ten aanzien van de intrekking van bijstand over de periode van 1 december 2003 tot 2 januari 2004;

Bepaalt dat het College een nieuw besluit neemt op het bezwaar van appellant tegen besluit 2;

Bevestigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, voor het overige;

Veroordeelt het College in de proceskosten van appellant in hoger beroep tot een bedrag van € 644,-- , te betalen door de gemeente Rotterdam aan de griffier van de Raad;

Bepaalt dat de gemeente Rotterdam aan appellant het in hoger beroep betaalde griffierecht van € 105,-- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door A.B.J. van der Ham als voorzitter en K. Zeilemaker en J.J.A. Kooijman als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van P.C. de Wit als griffier, uitgesproken in het openbaar op 8 januari 2008.

(get.) A.B.J. van der Ham.

(get.) P.C. de Wit.

IJ070108