Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BC2425

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
03-01-2008
Datum publicatie
22-01-2008
Zaaknummer
06-2631 AW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering om beoordeling te ondertekenen. Verzoek om beoordeling geweigerd. Door geruime tijdsverloop ziet de Raad aanleiding om de rechtsgevolgen in stand te laten. Proceskostenveroordeling.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

06/2631 AW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant],

tegen de uitspraak van de rechtbank Assen van 27 maart 2006, 05/74 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Minister van Justitie (hierna: minister)

Datum uitspraak: 3 januari 2008

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

De minister heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 22 november 2007. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. J. de Vet, verbonden aan DAS Rechtsbijstand. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. G.N. Paanakker, advocaat te Groningen, en R.H. Boer, werkzaam bij het ministerie van Justitie.

II. OVERWEGINGEN

1. Voor een uitgebreidere weergave van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden wordt verwezen naar de aangevallen uitspraak. De Raad volstaat met het volgende.

1.1. Appellant was voor 18 uur per week werkzaam in de penitentiaire inrichting (hierna: PI) [naam inrichting] als bewaarder/portier.

Op 25 juli 2001 is een beoordeling opgesteld van het functioneren van appellant over de periode van 31 augustus 1999 tot 1 december 2000. Deze beoordeling is nooit onder-tekend door de tweede beoordelaar en ook niet vastgesteld door de beoordelingsautoriteit.

Vanaf 24 juli 2001 heeft appellant geruime tijd geen werkzaamheden verricht. Met ingang van 27 juni 2002 is appellant door de bedrijfsarts in staat geacht zijn werkzaamheden te hervatten.

1.2. Bij besluit van 2 augustus 2002 heeft de minister beslist dat het verzoek van appellant om de in 1.1. bedoelde beoordeling alsnog vast te stellen niet kan worden gehonoreerd, omdat de algemeen directeur van de PI als beoordelingsautoriteit zich redelijkerwijs geen oordeel meer kan vormen over het functioneren van appellant in het tijdvak 31 augustus 1999 tot 1 december 2000. Toegezegd is dat er over de dan komende periode van zes maanden een beoordeling zal worden opgemaakt.

1.3. Bij besluit van 21 augustus 2002 heeft de minister beslist dat het verzoek om een beoordeling op te maken over de periode 1 augustus 2000 tot 1 augustus 2002 ook niet wordt gehonoreerd om reden dat appellant in het laatste jaar van die beoordelingstermijn niet of nauwelijks heeft gewerkt, waardoor een objectieve beoordeling omtrent zijn functioneren niet mogelijk is.

1.4. De minister heeft deze besluiten gehandhaafd bij de in geding zijnde besluiten van 16 augustus 2004, verzonden op 15 februari 2005.

2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellant voor zover gericht tegen het niet tijdig beslissen op bezwaar niet-ontvankelijk verklaard en het beroep tegen beide besluiten van 16 augustus 2004 ongegrond verklaard.

3. De Raad overweegt naar aanleiding van hetgeen in hoger beroep naar voren is gebracht het volgende.

3.1. De Raad onderschrijft het standpunt van appellant dat de rechtbank bij de aangevallen uitspraak ten onrechte heeft nagelaten de minister te veroordelen in de proceskosten in verband met het beroep van appellant tegen het uitblijven van een beslissing op het bezwaarschrift van 12 september 2002. Naar vaste jurisprudentie komt appellant ter zake een vergoeding van proceskosten toe naar de maatstaf van een zeer lichte zaak (factor 0,25). De Raad zal deze proceskostenveroordeling alsnog uitspreken.

3.2. Volgens artikel 2, eerste lid, van het Beoordelingsvoorschrift Ministerie van Justitie 2000 (hierna: beoordelingsvoorschrift), wordt een beoordeling onder meer opgemaakt wanneer de ambtenaar daarom verzoekt, tenzij een beoordeling niet conform de bepalingen van dit voorschrift kan worden opgemaakt.

Volgens artikel 2, derde lid, van het beoordelingsvoorschrift wordt de beoordeling binnen vier weken na de indiening van dat verzoek opgemaakt.

Volgens artikel 3 wordt de beoordeling opgemaakt over een tijdvak van ten minste zes maanden en ten hoogste twee jaar, met dien verstande dat de beoordelaar(s) minimaal zes maanden feitelijke leiding moet(en) hebben gegeven aan de ambtenaar.

3.3. Met de minister is de Raad van oordeel dat de op 25 juli 2001 gestarte beoordelings-procedure over de periode 31 augustus 1999 tot 1 december 2000 niet meer kan leiden tot een beoordeling die volgens de bepalingen van het beoordelingsvoorschrift is opgemaakt. Uit de gedingstukken komt naar voren dat destijds twee beoordelaars waren aangewezen. Eerste beoordelaar was het tijdelijk hoofd beveiliging M., tweede beoordelaar was de unit directeur Z. M. heeft op 25 juli 2001 zijn oordeel over het functioneren van appellant aan het papier toevertrouwd en de functievervulling in haar geheel gewaardeerd met de waarderingscode C (voldoende). Het is echter niet tot ondertekening daarvan door Z. en doorzending aan de beoordelingsautoriteit gekomen, omdat Z. het naar haar zeggen met het oordeel van M. niet eens was. Door de langdurige afwezigheid van appellant is het door M. opgemaakte stuk vervolgens letterlijk in de la van Z. blijven liggen.

3.3.1. De Raad onderschrijft het standpunt van de minister dat, nu de toenmalige beoordelingsautoriteit - de algemeen directeur van de PI - is vertrokken en is opgevolgd door Z., geen (andere) beoordelingsautoriteit meer valt aan te wijzen die kan nagaan of hij zich op grond van eigen wetenschap met de beoordeling kan verenigen, dan wel of hij wijziging in de beoordeling wil aanbrengen na overleg met de beoordelaars, een en ander als voorgeschreven in artikel 6, tweede lid, van het beoordelingsvoorschrift.

3.3.2. Appellants stelling dat hij niet de dupe mag worden van de nalatigheid van Z. kan de Raad op zichzelf onderschrijven. Gezien de stellige schriftelijke verklaring van Z., ten tijde van belang unit directeur, thans algemeen directeur van de PI, is de Raad van oordeel dat voldoende grond bestaat voor de verwachting dat het oordeel over de functievervulling in haar geheel niet zou zijn vastgesteld op waarderingscode C.

3.3.3. Het standpunt van appellant dat ervan moet worden uitgegaan dat Z. het destijds wel eens was met het oordeel van M. volgt de Raad niet, nu M. in zijn schriftelijke verklaring van 13 mei 2004 expliciet heeft verklaard niet te weten of Z. het met de door hem opgemaakte beoordeling eens was omdat hij geen ondertekende beoordeling had teruggezien en Z. ook niet had gesproken. Dat spoort met de schriftelijke verklaring van Z. welke expliciet heeft verklaard dat zij de beoordeling niet had ondertekend omdat zij het met de tekst daarvan niet eens was. Een voldoende waardering kwam niet overeen met het beeld dat zij had van het functioneren van appellant.

3.3.4. Het briefje van M. aan appellant van 30 juli 2001 waarin de zin voorkomt: “Ondergetekende en mevr. [v. Z.] hebben jou beoordeling opgemaakt en deze licht nu ter tekening bij Dhr. [l. C.]” overtuigt de Raad niet van het tegendeel, nu in ieder geval ook de vermelding dat de beoordeling al bij de beoordelingsautoriteit lag niet juist was. Evenmin acht de Raad het uitgetypte verslag van een telefoongesprek tussen appellant en M. overtuigend. In dat telefoongesprek worden M. voortdurend woorden in de mond gelegd, terwijl niettemin een ondubbelzinnige bevestiging van het standpunt van appellant uitblijft.

3.3.5. Nu ook de andere door appellant voorgestelde oplossingen om tot afronding van de beoordeling te komen niet kunnen leiden tot een beoordeling die volgens het beoorde-lingsvoorschrift is opgemaakt, kan het hoger beroep van appellant in zoverre niet slagen.

3.4. Met betrekking tot de weigering bij besluit van 21 augustus 2002 van het verzoek van 8 augustus 2002 om een beoordeling op te maken over de laatste twee jaar - 1 augustus 2000 tot 1 augustus 2002 - overweegt de Raad het volgende.

3.4.1. De Raad stelt allereerst vast dat appellant dit verzoek heeft gedaan onmiddellijk aansluitend op de periode waarover hij beoordeeld wenst te worden.

De minister heeft deze weigering gebaseerd op de omstandigheid dat appellant in het laatste jaar van de beoordelingstermijn niet of nauwelijks heeft gewerkt en dat om die reden een objectieve beoordeling van zijn functioneren niet mogelijk is. In het bestreden besluit heeft de minister daaraan toegevoegd dat appellant in de periode 1 augustus 2000 tot 25 juli 2001 ook nog eens drie maanden afwezig is geweest wegens ziekte.

3.4.2. De Raad is van oordeel dat het bestreden besluit tegen de achtergrond van het beoordelingsvoorschrift, niet gedragen kan worden door deze motivering.

Blijkens hetgeen onder 3.2. is vermeld dient een beoordelingstijdvak ten minste zes maanden en ten hoogste twee jaar te belopen. Het gegeven dat appellant in het eerste jaar van dat tijdvak in totaal drie maanden ziek is geweest laat onverlet dat er een tijdvak van meer dan zes maanden resteert waarin appellant zijn functie wel heeft uitgeoefend en waarover dus beoordeling zou kunnen plaatsvinden. Het beoordelingsvoorschrift biedt voorts geen grond voor het standpunt van de minister dat een beoordeling achterwege kan blijven omdat het vormen van een oordeel wordt bemoeilijkt door de deeltijdaanstelling van appellant.

De minister heeft niet onderzocht of er een of meer beoordelaar(s) aan te wijzen waren die in het beoordelingstijdvak minimaal zes maanden feitelijk leiding hebben gegeven aan de ambtenaar, in welk geval de minister mogelijk wel het opmaken van een beoordeling had kunnen weigeren. Nu het bestreden besluit niet kan worden gedragen door de daaraan ten grondslag gelegde motivering dient dit besluit wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) te worden vernietigd.

3.4.3. Gezien het inmiddels al zeer geruime tijdsverloop en de daarmee samenhangende onmogelijkheid om alsnog een beoordeling conform het beoordelingsvoorschrift op te maken over de periode 1 augustus 2000 tot 1 augustus 2002, ziet de Raad evenwel aanleiding om met overeenkomstige toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Awb de rechtsgevolgen van dit vernietigde besluit in stand te laten.

4. De Raad ziet aanleiding de minister te veroordelen in de proceskosten van appellant in beroep tot een bedrag van € 80,50 wegens kosten van rechtsbijstand ten aanzien van het beroep tegen het uitblijven van besluiten op bezwaar, en tot een bedrag van € 644,- voor kosten van rechtskundige bijstand overigens. Tevens wordt de minister veroordeeld in de kosten van rechtsbijstand in hoger beroep tot een bedrag van eveneens € 644,-.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak voor zover is nagelaten de minister te veroordelen in de proceskosten als onder 3.1. bedoeld en voor zover deze betrekking heeft op de beoordeling over de periode 1 augustus 2000 tot 1 augustus 2002;

Verklaart het beroep in zoverre gegrond en vernietigt het besluit van 16 augustus 2004 met kenmerk CB 2005/698;

Bepaalt dat de rechtsgevolgen van dit besluit in stand blijven;

Veroordeelt de minister in de proceskosten van appellant als onder 4. vermeld ten bedrage van € 1.368,50, te betalen door de Staat der Nederlanden;

Bepaalt dat de Staat der Nederlanden aan appellant het door hem in eerste aanleg en in hoger beroep betaalde griffierecht ten bedrage van in totaal € 347,- vergoedt;

Bevestigt de aangevallen uitspraak voor het overige.

Deze uitspraak is gedaan door G.P.A.M. Garvelink-Jonkers als voorzitter en R. Kooper en K.J. Kraan als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van P.W.J. Hospel als griffier, uitgesproken in het openbaar op 3 januari 2008.

(get.) G.P.A.M. Garvelink-Jonkers.

(get.) P.W.J. Hospel.

HD