Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BC2424

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
08-01-2008
Datum publicatie
22-01-2008
Zaaknummer
06-342 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Boeteoplegging wegens niet voldoen aan mededelingsverplichting, terecht? Verwijtbaarheid gezien beperkte geestelijke en intellectuele vermogen? Onderbouwing?

Wetsverwijzingen
Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering 29a
Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering 80
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
ABkort 2008/102
USZ 2008/54
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

06/342 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 28 november 2005, 05/540 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

[Betrokkene],

en

appellant.

Datum uitspraak: 8 januari 2008

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Namens betrokkene heeft mr. H.M.L. Brands, advocaat te Alphen aan den Rijn, een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 6 november 2007. Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door C. Schravesande. Namens betrokkene zijn verschenen mr. Brands, voornoemd, en [naam broer], broer van betrokkene.

II. OVERWEGINGEN

Betrokkene, laatstelijk werkzaam bij de gemeentelijke dienst Sociale Werkvoorziening Alphen aan den Rijn (SWA), is op 10 februari 2000 uitgevallen met beenklachten beiderzijds.

Aan betrokkene is in aansluiting op de wettelijke wachttijd van 52 weken, met ingang van 8 februari 2001, een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%, verstrekt. Uit een fraude-onderzoek, waarvan op 1 december 2003 een rapport uitkeringsfraude is opgemaakt, heeft appellant afgeleid dat betrokkene vanaf 1 oktober 2001 zijn werkzaamheden bij de SWA gedeeltelijk heeft hervat. Appellant was hiervan niet in kennis gesteld. Bij besluit van 18 december 2003 heeft appellant de uitkering van betrokkene in verband met de werkhervatting met ingang van 1 oktober 2001 herzien naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 45 tot 55%.

Bij besluit van 3 juni 2004 heeft appellant hetgeen in de periode van 1 oktober 2001 tot 1 december 2003 onverschuldigd aan betrokkene is uitgekeerd ingevolge de WAO ten bedrage van € 14.403,93 bruto van betrokkene teruggevorderd. Voorts heeft appellant bij besluit van 18 juni 2004 betrokkene een boete van € 1.441,- opgelegd omdat betrokkene niet had voldaan aan zijn mededelingsverplichting als bedoeld in artikel 80 van de WAO.

De tegen de besluiten van 3 juni en 18 juni 2004 ingediende bezwaren zijn bij besluit van 28 december 2004 (hierna: het bestreden besluit) ongegrond verklaard.

Het door betrokkene ingediende beroep, dat zich beperkte tot de boeteoplegging, is door de rechtbank gegrond verklaard. De rechtbank heeft het bestreden besluit vernietigd voor zover daarbij aan betrokkene een boete is opgelegd ter hoogte van € 1.441,-, het besluit van 18 juni 2004 herroepen en bepaald dat haar uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het besluit voor zover dat is vernietigd. Verder heeft de rechtbank beslissingen gegeven over vergoeding van het griffierecht en de proceskosten.

De rechtbank heeft daartoe overwogen dat niet wordt betwist dat appellant niet op de hoogte was van betrokkenes gedeeltelijke werkhervatting per 1 oktober 2001. Voorts overwoog de rechtbank geen aanleiding te zien om te twijfelen aan de verklaringen omtrent betrokkenes geestelijke en intellectuele vermogens op grond waarvan betrokkene niet in staat is zijn eigen administratie te voeren. De administratie van betrokkene wordt gevoerd door zijn broer. De rechtbank overwoog dat betrokkene, noch zijn broer, appellant hebben ingelicht over de werkhervatting omdat zij erop vertrouwden dat de SWA, zoals te doen gebruikelijk, hiervoor zorg zou dragen. De rechtbank was echter van oordeel dat, gelet op de overige door haar in aanmerking genomen omstandigheden van het geval, iedere vorm van verwijtbaarheid aan de zijde van betrokkene ontbreekt zodat appellant had moeten afzien van het opleggen van een boete.

In hoger beroep betoogt appellant dat de rechtbank ten onrechte betrokkene heeft gevolgd in de verklaringen omtrent diens geestelijke en intellectuele vermogens. Appellant verwijst hierbij naar de medische beoordelingen in het kader van de WAO waarbij nimmer is gebleken, laat staan komen vast te staan, dat betrokkene verminderde geestelijke vermogens heeft. Ook de overgelegde informatie van betrokkenes huisarts R.J. Overbeek van 10 maart 2005 en 13 maart 2006 overtuigt appellant hiervan niet. Dat betrokkene niet zijn eigen administratie doet ontslaat hem niet van de op hem rustende mededelingsverplichting aan appellant. Evenmin mocht betrokkene erop vertrouwen dat SWA appellant zou informeren over betrokkenes werkhervatting.

Betrokkene verzoekt, mede onder verwijzing naar de in hoger beroep ingebrachte informatie van zijn huisarts R.J. Overbeek van 13 maart 2006, bevestiging van de aangevallen uitspraak.

De Raad overweegt als volgt.

Niet in geding is dat betrokkene appellant niet in kennis heeft gesteld van zijn (gedeeltelijke) werkhervatting per 1 oktober 2001. Dit betekent dat betrokkene niet aan zijn mededelingsverplichting als bedoeld in artikel 80 van de WAO heeft voldaan en appellant ingevolge artikel 29a, eerste lid, van de WAO gehouden is tot het opleggen van een boete. Ingevolge het tweede lid van artikel 29a van de WAO wordt van het opleggen van een boete in elk geval afgezien indien iedere vorm van verwijtbaarheid ontbreekt.

Anders dan de rechtbank is de Raad van oordeel dat in het onderhavige geval geen sprake is van het ontbreken van iedere vorm van verwijtbaarheid op grond waarvan appellant had moeten afzien van het opleggen van een boete. Zoals de Raad in zijn uitspraak van 12 december 1986 (LJN: AK7431) heeft overwogen kan het gegeven dat een verzekerde erop rekent dat zijn werkgever de wijziging van de omstandigheden aan het Uwv zal doorgeven, er niet toe leiden dat deze verzekerde is ontheven van zijn mededelingsplicht. Het gegeven dat betrokkenes broer zijn administratie voerde ontslaat betrokkene evenmin van zijn eigen verantwoordelijkheid ten aanzien van de hiervoor bedoelde mededelingsplicht tegenover appellant. Daarbij wijst de Raad er nog op dat betrokkene zeer wel op de hoogte was van de wijziging van de omstandigheden nu de machtiging tot uitbetaling van diens WAO-uitkering per 1 oktober 2001 werd ingetrokken en de SWA die intrekking schriftelijk aan hem bevestigde.

Ten aanzien van de stelling dat betrokkene beschikt over zeer beperkte geestelijke en intellectuele vermogens op grond waarvan hem niet verweten kan worden dat hij de werkhervatting niet aan appellant heeft gemeld is de Raad van oordeel dat hiervoor onvoldoende steun is te vinden in de stukken. De Raad overweegt hierbij dat het gegeven dat betrokkene werkzaam was in een WSW-dienstverband niet toereikend is voor de aanname dat sprake is van zodanig beperkt geestelijk en intellectueel vermogen dat sprake is van het ontbreken van elke vorm van verwijtbaarheid aan de zijde van betrokkene.

Daarnaast bevat de in beroep, respectievelijk hoger beroep, overgelegde informatie van betrokkenes huisarts Overbeek van 10 maart 2005, respectievelijk 13 maart 2006, nauwelijks enige feitelijke (medische) onderbouwing dat betrokkene geestelijk en intellectueel (zeer) beperkt is. Ook het rapport van verzekeringsarts G.F.A.F. Slooff van 13 november 2000, opgesteld in het kader van de toekenning van de WAO-uitkering, bevat geen aanknopingspunten voor de stelling dat betrokkenes geestelijke en intellectuele vermogens zijn beperkt. Mede in het licht van het voorgaande kan aan de verklaring van betrokkenes broer omtrent de geestelijke en intellectuele vermogens van betrokkene geen beslissende betekenis worden toegekend. De Raad merkt hierbij nog op dat het door gemachtigde van betrokkene eerst ter zitting gedane aanbod tot het alsnog overleggen van de WSW-indicatie van betrokkene ter (nadere) onderbouwing van diens stellingname, met het oog op een goede procesorde als tardief moet worden beschouwd.

Uit het voorgaande volgt dat het hoger beroep van appellant slaagt en dat de aangevallen uitspraak moet worden vernietigd.

De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door H. Bolt als voorzitter en C.W.J. Schoor en H.G. Rottier als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M. Lochs als griffier, uitgesproken in het openbaar op 8 januari 2008.

(get.) H. Bolt.

(get.) M. Lochs.

TM