Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BC2413

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
08-01-2008
Datum publicatie
22-01-2008
Zaaknummer
06-2798 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking en terugvordering bijstand. Schending inlichtingenverplichting: geen opgave. Overschrijding vermogensgrens.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

06/2798 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellante] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 28 maart 2006, 05/1693 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Utrecht (hierna: College)

Datum uitspraak: 8 januari 2008

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. drs. E.E. Weiland, advocaat te Utrecht, hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 27 november 2007. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Weiland. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door C. van den Bergh, werkzaam bij de gemeente Utrecht.

II. OVERWEGINGEN

De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

Appellante ontving sinds 5 juni 2000 bijstand, laatstelijk ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB).

Naar aanleiding van informatie van de Belastingdienst dat appellante op 31 december 2002 beschikte over een vermogen van € 16.775,-- heeft het College een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan appellante verstrekte bijstand. Het College heeft uit de bevindingen van dat onderzoek de conclusie getrokken dat appellante zowel op 31 december 2002 als op 31 december 2003 over een vermogen beschikte dat hoger was dan de voor haar geldende vermogensgrens. Tevens is geconstateerd dat appellante onjuiste en onvolledige inlichtingen heeft verstrekt over haar vermogen, aangezien zij bij het College geen melding heeft gemaakt van alle op haar naam staande bankrekeningen.

De onderzoeksresultaten zijn voor het College aanleiding geweest om bij besluit van 1 februari 2005 de bijstand van appellante over de periode 1 januari 2003 tot en met 12 mei 2004 te herzien (lees: in te trekken) en de over deze periode gemaakte kosten van bijstand tot een bedrag van € 21.326,64 van haar terug te vorderen.

Bij besluit op bezwaar van 13 juni 2005 heeft het College het besluit van 1 februari 2005 herroepen in die zin dat de intrekking van bijstand zich beperkt tot de periode van 1 januari 2003 tot en met 25 augustus 2003 en de periode van 1 januari 2004 tot en met 14 juli 2004. De terugvordering van ten onrechte gemaakte kosten van bijstand beperkt zich eveneens tot genoemde perioden en betreft een bedrag van € 18.580,29. Aan dit besluit heeft het College ten grondslag gelegd dat appellante gedurende deze perioden over een vermogen beschikte dat hoger was dan het voor haar geldende vrij te laten vermogen.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 13 juni 2005 ongegrond verklaard.

Appellante heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen deze uitspraak gekeerd.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

De Raad stelt vast dat appellante sinds 30 augustus 2000 houder is van een rekening bij de Fortis bank met nummer [nummer 1]. Verder blijkt uit de gedingstukken dat het totale saldo op de bankrekeningen van appellante op 31 december 2002 € 16.775,-- en op 31 december 2003 € 22.744,-- bedroeg. Niet in geschil is dat appellante gedurende de in geding zijnde perioden heeft beschikt over banktegoeden waarvan het totaalbedrag meer bedroeg dan de voor haar van toepassing zijnde grens van het vrij te laten vermogen.

Appellante stelt zich op het standpunt dat het tegoed op de rekening bij de Fortis bank is ontstaan doordat zij heeft gespaard van haar bijstandsuitkering, alsmede van belastingteruggaven, de kinderbijslag en teruggaven van het energiebedrijf zodat dit tegoed buiten beschouwing moet worden gelaten. De Raad is van oordeel dat appellante er niet in geslaagd is deze stelling aannemelijk te maken. De Raad verenigt zich met het oordeel van de rechtbank daarover en met de overwegingen waarop dat oordeel rust, waarnaar de Raad kortheidshalve verwijst. Hetgeen appellante hieromtrent in hoger beroep naar voren heeft gebracht komt neer op een herhaling van hetgeen zij in eerste aanleg heeft aangevoerd en leidt de Raad niet tot een ander oordeel. Het College heeft derhalve terecht het totale saldo van de bankrekeningen van appellante over de in geding zijnde perioden als vermogen in de zin van artikel 51, aanhef, en eerste lid, van de Algemene bijstandswet en artikel 31, eerste lid, van de WWB in aanmerking genomen.

Door bij het College geen melding te maken van alle op haar naam staande bankrekeningen en van de hierop staande tegoeden heeft appellante de op haar rustende inlichtingenverplichting geschonden. Het gaat hier immers om gegevens waarvan het appellante redelijkerwijs duidelijk moet zijn geweest dat deze van belang zijn voor de vaststelling van het recht op bijstand. De stelling van appellante dat de schending van de inlichtingenverplichting haar niet kan worden verweten vanwege haar psychische gesteldheid volgt de Raad niet. Er zijn geen medische gegevens in het geding gebracht waaruit dit zou kunnen worden afgeleid.

De schending van de inlichtingenverplichting heeft ertoe geleid dat aan appellante over de in geding zijnde perioden ten onrechte bijstand is verleend. Hieruit vloeit voort dat het College op grond van artikel 54, derde lid, aanhef en onder a, van de WWB bevoegd was tot intrekking van bijstand van appellante over de periode van 1 januari 2003 tot en met 25 augustus 2003 en de periode van 1 januari 2004 tot en met 14 juli 2004 over te gaan.

In hetgeen appellante heeft aangevoerd ziet de Raad geen grond voor het oordeel dat het College hiertoe niet in redelijkheid heeft kunnen besluiten.

Uit het vorenstaande vloeit tevens voort dat aan de voorwaarden voor terugvordering op grond van artikel 58, eerste lid, aanhef en onder a, van de WWB is voldaan, zodat het College bevoegd was om tot terugvordering van de gemaakte kosten van bijstand over te gaan. Het College heeft in overeenstemming met zijn - door de Raad in zijn uitspraak van 30 januari 2007 (LJN AZ8022) niet onredelijk geachte - beleid besloten tot volledige terugvordering van appellante. In hetgeen appellante heeft aangevoerd ziet de Raad geen aanknopingspunten voor het oordeel van het College met overeenkomstige toepassing van artikel 4:84 (slot) van de Algemene wet bestuursrecht, in afwijking van het beleid (geheel of gedeeltelijk) van terugvordering had moeten afzien.

Uit het voorgaande volgt dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door A.B.J. van der Ham als voorzitter en K. Zeilemaker en J.J.A. Kooijman als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van P.C. de Wit als griffier, uitgesproken in het openbaar op 8 januari 2008.

(get.) A.B.J. van der Ham.

(get.) P.C. de Wit.

IJ070108