Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BC2412

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
10-01-2008
Datum publicatie
22-01-2008
Zaaknummer
06/2733 AW + 06/2734 AW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

In hoger beroep is het oordeel van de rechtbank dat er sprake is geweest van een dienstongeval niet aangevochten. Weigering door aanvrager om mee te werken aan medisch onderzoek. Afwijzing smartengeld.

Wetsverwijzingen
Besluit algemene rechtspositie politie 54a
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
TAR 2008/92
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

06/2733 AW

06/2734 AW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant],

tegen de uitspraak van de rechtbank Maastricht van 3 april 2006, 04/1422 en 05/1605 (hierna: aangevallen uitspraak)

in het geding tussen:

appellant

en

de Korpsbeheerder van de politieregio Limburg-Zuid (hierna: korpsbeheerder)

Datum uitspraak: 10 januari 2008

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld

De korpsbeheerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 8 november 2007. Appellant is daar in persoon verschenen, bijgestaan door mr. Y van de Berg. De korpsbeheerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M.J.M. Schoonhoven, advocaat te ’s-Hertogenbosch.

II. OVERWEGINGEN

1. Voor een meer uitgebreide weergave van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden wordt verwezen naar de aangevallen uitspraak. De Raad volstaat hier - toegespitst op de door appellant ter zitting nader aangegeven begrenzing van het ingestelde hoger beroep - met het volgende.

1.1. Appellant heeft de korpsbeheerder in oktober 2003 verzocht om hem ingevolge artikel 54a, eerste lid, van het Besluit algemene rechtspositie politie (Barp) smartengeld toe te kennen in verband met de invaliditeit die bij hem naar zijn mening is ontstaan doordat hij op 4 november 1998 tijdens zijn werk als technisch controleur zijn rug heeft gestoten. Dit verzoek heeft de korpsbeheerder afgewezen bij besluit van 17 maart 2005, primair op de grond dat geen sprake is geweest van een dienstongeval. Subsidiair is in aanmerking genomen dat, zo wel sprake zou zijn van een dienstongeval, niet is komen vast te staan dat de gedeeltelijke invaliditeit van appellant als gevolg daarvan is ontstaan, nu hij heeft geweigerd zich ter zake te onderwerpen aan een medisch onderzoek door een door de, hier optredende, Winterthur Schadeverzekering Maatschappij (hierna: Winterthur) aangewezen arts en uit de voorhanden gegevens blijkt dat hij al vóór

4 november 1998 kampte met rugklachten. Het tegen dit besluit door appellant gemaakt bezwaar heeft de korpsbeheerder bij besluit van 16 september 2005 ongegrond verklaard.

1.2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank geoordeeld dat de korpsbeheerder het onderhavige voorval ten onrechte niet als dienstongeval heeft aangemerkt. Wel heeft de rechtbank de korpsbeheerder gevolgd in zijn subsidiaire standpunt. Hiertoe is overwogen, samengevat, dat appellant door Winterthur meermalen schriftelijk is verzocht om zich te onderwerpen aan een onderzoek naar de relatie tussen ongeval en letsel door een door haar aan te wijzen arts en dat appellant ten onrechte daaraan geen gevolg heeft gegeven.

In dit verband is aangegeven dat een door de orthopedisch chirurg J.J. van Os te Sittard in juni 2002 verrichte expertise terecht als onvoldoende is beschouwd nu Van Os niet alleen niet door Winterthur was aangewezen, maar diens rapport ook gemotiveerd door Winterthur als ondeugdelijk was aangemerkt.

2. In hoger beroep zijn door en namens appellant vooral grieven aangevoerd betreffende de gestelde voorwaarde om zich (nader) aan een medisch onderzoek te onderwerpen in samenhang met het buiten beschouwing laten van het expertiserapport van de orthope-disch chirurg Van Os. Hierbij is erop gewezen dat Van Os een collega is van de door Winterthur (uiteindelijk) wel aangewezen arts, de orthopedisch chirurg A.D. Verburg, en dat de omstandigheid dat appellant door Van Os is onderzocht slechts berust op de omstandigheid dat bij die specialistenmaatschap binnenkomende expertiseverzoeken niet op naam van de geadresseerde specialist worden verdeeld. Mede in aanmerking genomen dat Winterthur hem aanvankelijk wilde sturen naar artsen in Doetinchem en Groesbeek, ziet appellant in een en ander slechts pogingen om hem af te schepen.

3. De Raad overweegt als volgt.

3.1. Voorop wordt gesteld dat de korpsbeheerder het oordeel van de rechtbank dat sprake is geweest van een dienstongeval niet in hoger beroep heeft aangevochten. Daarmee staat in rechte vast, en vormt uitgangspunt voor de beoordeling in hoger beroep, dat appellant tijdens de uitoefening van zijn werk op 4 november 1998 een dienstongeval is overkomen, waarbij hij zijn rug heeft gestoten.

3.2. In artikel 54a, eerste lid, van het Barp is bepaald dat ingeval van invaliditeit die voortvloeit uit een dienstongeval of een beroepsziekte aan de betreffende ambtenaar smartengeld wordt vergoed. Naar vaste rechtspraak betekent deze bepaling dat sprake moet zijn van een causaal verband tussen dienstongeval en invaliditeit. Dat het ongeval tijdens de dienstuitoefening heeft plaatsgevonden, is dus op zichzelf voor de toekenning van smartengeld nog niet voldoende. Hieruit volgt ook dat in redelijkheid van de aanvrager mag worden verlangd dat hij meewerkt aan een vanwege het bestuursorgaan naar zodanig causaal verband in te stellen medisch onderzoek.

Blijkens de voorhanden gegevens is het uit artikel 54a van het Barp voor de korpsbe-heerder voortvloeiende risico verzekerd bij Winterthur, in beginsel meebrengende dat de (eerste) beoordeling daar, mede namens de korpsbeheerder, plaatsvindt. Dit brengt tevens mee dat een oproep voor medisch onderzoek door Winterthur geacht moet worden namens de korpsbeheerder te zijn gedaan.

3.3. Vaststaat dat appellant niet is onderzocht door de door Winterthur aangewezen arts, maar door een collega van die arts. Vaststaat ook dat appellant vervolgens heeft geweigerd om mee te werken aan onderzoek door een nader door Winterthur aan te wijzen arts, hoewel hij herhaaldelijk en onder waarschuwing voor eventuele gevolgen is gemaand om zijn medewerking te verlenen.

De Raad onderschrijft het oordeel van de rechtbank dat onder de gegeven omstandig-heden voor deze weigering onvoldoende rechtvaardiging aanwezig is en dat daarmee de bestreden afwijzing terecht en op goede gronden heeft plaatsgevonden. Hierbij laat de Raad evenals de rechtbank mede wegen dat door Winterthur gemotiveerd is aangegeven dat, gelet op al bij appellant vóór het ongeval bestaande rugafwijkingen, het expertiserapport van Van Os niet voldoende is toegespitst op de te beantwoorden vragen naar de causaliteit tussen dienstongeval en invaliditeit. Deze, door de korpsbeheerder overgenomen opvatting van Winterthur is door appellant niet op inhoudelijke gronden weersproken. Ook kennisname van het, in hoger beroep door appellant alsnog overgelegde - voordien wel bij Winterthur maar niet bij de korpsbeheerder en de rechtbank bekende - rapport van Van Os zelf, leidt de Raad niet tot zodanige twijfel aan de juistheid van die opvatting van Winterthur dat de oproep voor nader medisch onderzoek ten onrechte is gegeven.

3.4. Gezien het vorenstaande slaagt het hoger beroep niet en komt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, voor bevestiging in aanmerking.

4. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht inzake een proceskostenveroordeling in hoger beroep.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak, voor zover in hoger beroep aangevochten.

Deze uitspraak is gedaan door G.P.A.M. Garvelink-Jonkers als voorzitter en G.L.M.J. Stevens en T. van Peijpe als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van K. Moaddine als griffier, uitgesproken in het openbaar op 10 januari 2008.

(get.) G.P.A.M. Garvelink-Jonkers.

(get.) K. Moaddine.

HD