Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BC2400

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
11-01-2008
Datum publicatie
22-01-2008
Zaaknummer
05-2007 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking WAO-uitkering. Medisch onderzoek voldoende zorgvuldig?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

05/2007 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant],

tegen de uitspraak van de rechtbank Breda van 14 maart 2005, 04/1294 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 11 januari 2008

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend en een vraag van de Raad beantwoord.

Appellant heeft nadere stukken ingezonden.

Bij brief van 21 september 2007 heeft mr. N.J. Brouwer, werkzaam bij DAS Rechtsbijstand te ’s-Hertogenbosch, zich als gemachtigde van appellant gesteld.

Bij brief van 23 november 2007 zijn namens appellant andermaal nadere stukken ingezonden, waaronder een rapport van 19 november 2007 van de medisch adviseur J.I. Noordsij.

Het Uwv heeft, daartoe door de Raad bij schrijven van 9 februari 2007 verzocht, met een rapport van zijn bezwaarverzekeringsarts S.N. van Erk-Raes van 15 november 2007 gereageerd op door appellant in december 2005 toegezonden medische stukken.

Bij brief van 3 december 2007 heeft het Uwv, eveneens in reactie op voornoemde brief van de Raad van 9 februari 2007, nadere stukken ingezonden.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 6 december 2007. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Brouwer, voornoemd. Het Uwv heeft zich doen vertegenwoordigen door mr. W.M.J. Evers.

II. OVERWEGINGEN

Alvorens de Raad toekomt aan een beoordeling van het partijen verdeeld houdende inhoudelijke geschilpunt, ziet de Raad onder verwijzing naar het verhandelde ter zitting aanleiding op te merken dat hij bij die beoordeling de door het Uwv bij schrijven van 3 december 2007 ingezonden nadere stukken buiten beschouwing zal laten. De Raad overweegt daarbij dat, naar blijkt uit rubriek I, hij reeds op 9 februari 2007 om toezending van die stukken heeft verzocht en het Uwv eerst bij brief van 3 december 2007 aan dat verzoek heeft voldaan. Er zijn geen aanwijzingen - zulks is overigens ook niet gesteld - dat eerdere toezending niet mogelijk was. Voorts is namens appellant ter zitting aangegeven dat in verband met het late tijdstip van toezending de gelegenheid heeft ontbroken voor het formuleren van een inhoudelijke reactie. Onder de gegeven omstandigheden acht de Raad het in strijd met de beginselen van een behoorlijke procesvoering indien de betreffende stukken als gedingstukken zouden worden toegelaten.

Ten materiële overweegt de Raad als volgt.

Appellant is in januari 2000 wegens psychische en lichamelijke klachten uitgevallen voor zijn werkzaamheden als penitentiair medewerker. Met ingang van 14 december 2000 is hem een uitkering ingevolge de WAO toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%.

Bij besluit van 16 december 2002 is deze uitkering met ingang van 17 februari 2003 weer beëindigd, daar heronderzoek had uitgewezen dat de mate van arbeidsongeschiktheid was afgenomen naar minder dan 15%.

Bij besluit van 14 mei 2004, hierna het bestreden besluit, is het bezwaar van appellant tegen het besluit van 16 december 2002 ongegrond verklaard.

De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

De Raad ziet in navolging van de rechtbank de van de zijde van appellant tegen de medische grondslag van de onderhavige arbeidsongeschiktheidsbeoordeling aangevoerde bezwaren niet slagen.

De Raad kan zich vinden in het oordeel van de rechtbank dat het door de verzekeringsartsen van het Uwv ingestelde medische onderzoek als voldoende zorgvuldig kan worden aangemerkt en dat de conclusies waartoe die artsen zijn gekomen als juist kunnen worden aanvaard.

Naar aanleiding van het namens appellant herhaalde beroep op het rapport van de zenuwarts H.L.S.M. Busard van 28 november 2000, overweegt de Raad dat uit het rapport van de primaire verzekeringsarts blijkt dat die arts bij het opstellen van de voor appellant van toepassing te achten beperkingen de conclusies van Busard in grote lijnen heeft gevolgd. Alleen al daarom - dus nog afgezien van de door de rechtbank en de bezwaarverzekeringsarts aangegeven bezwaren tegen de, ook in het geval van appellant gevolgde, onderzoeksmethode van Busard waarbij de subjectieve opvatting van de onderzochte persoon over zijn medische beperkingen mede tot uitgangspunt wordt genomen bij het formuleren van conclusies over diens belastbaarheid - kan aan het rapport van Busard niet worden ontleend dat de beperkingen van appellant zijn onderschat.

Verder geldt ten aanzien van de rapporten van de psychiaters K. Visser en F. Jessurun dat deze reeds geen gewicht in de schaal leggen, nu de in geding zijnde intrekking van appellants uitkering betrekking heeft op de datum 17 februari 2003 en die rapporten dateren van respectievelijk augustus 1993, februari en september 1987 en januari 1997.

Met betrekking tot het rapport van de neuroloog J.G. Eerenberg van 12 september 2005 overweegt de Raad dat hij zich volledig kan vinden in de reactie van de bezwaarverzekeringsarts Van Erk-Raes van 15 november 2007, erop neerkomend dat de door deze neuroloog verstrekte gegevens, ook al zouden deze - hetgeen niet het geval is - betrekking hebben op de datum in geding, geen objectief-medische gronden bevatten voor aanscherping van het belastbaarheidspatroon.

Ten aanzien van het schrijven van de psychiater K. Kasi van 6 september 2005 heeft genoemde bezwaarverzekeringsarts opgemerkt dat (ook) hierin geen informatie wordt aangetroffen die betrekking heeft op de gezondheidssituatie van appellant ten tijde hier van belang. De Raad heeft geen reden daarover in andere zin te oordelen.

Ten slotte kan de Raad zich ook stellen achter de ter zitting gegeven reactie van het Uwv op het rapport van de medisch adviseur Noordsij van 19 november 2007. Deze houdt in dat in dat rapport geen inzichtelijke, op objectief-medische gegevens berustende, onderbouwing wordt aangetroffen voor de bij genoemde medisch adviseur bij bestudering van het dossier ontstane indruk dat met de in aanmerking genomen beperkingen de belastbaarheid van appellant op de litigieuze datum niet juist wordt weergegeven.

Appellant is aldus niet erin geslaagd twijfel op te roepen aan de juistheid van de voor hem van toepassing geachte beperkingen. Hierin ligt besloten dat geen aanleiding bestaat om, als namens hem verzocht, nog een onafhankelijke medisch deskundige te raadplegen.

Aldus ervan uitgaande dat de beperkingen en arbeidsmogelijkheden van appellant juist zijn gewaardeerd, heeft de Raad evenmin aanleiding om het ervoor te houden dat de bij de schatting betrokken functies buiten het bereik van appellant zouden liggen.

De aangevallen uitspraak komt voor bevestiging in aanmerking.

Er zijn geen aanknopingspunten voor een proceskostenveroordeling.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door D.J. van der Vos als voorzitter en J.W. Schuttel en A.T. de Kwaasteniet als leden. Deze beslissing is, in tegenwoordigheid van W.R. de Vries als griffier, uitgesproken in het openbaar op 11 januari 2008.

(get.) D.J. van der Vos.

(get.) W.R. de Vries.

JL