Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BC2397

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
18-01-2008
Datum publicatie
22-01-2008
Zaaknummer
06-852 WAO-WAZ
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Beëindiging WAO/WAZ-uitkering. Reformatio in peius? Zorgvuldigheid?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

06/852 WAO/WAZ

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant],

tegen de uitspraak van de rechtbank Leeuwarden van 27 december 2005, 05/285 (de aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 18 januari 2008

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft R.T. van Baarlen, werkzaam bij Fiscount Adviesgroep B.V. te Zwolle, hoger beroep ingesteld tegen aangevallen uitspraak.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is behandeld ter zitting van de Raad op 7 december 2007. Namens appellant is verschenen R.T. van Baarlen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. J.T. Wielinga.

II. OVERWEGINGEN

Het inleidende beroep richt zich tegen het besluit van 25 januari 2005 ter uitvoering van de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen (Waz) en van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO). Hierbij heeft het Uwv gehandhaafd zijn besluit van 3 september 2004 tot de beëindiging van de eerder aan appellant toegekende, naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 45-55% berekende, WAO/WAZ-uitkering met ingang van 1 oktober 2004. Hieraan ligt ten grondslag dat op en na 1 oktober 2004 appellant niet langer door ziekte of gebrek arbeidsbeperkingen ondervindt.

De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.

De Raad onderschrijft het oordeel van de rechtbank en de overwegingen waarop dat berust. De Raad heeft evenmin als de rechtbank twijfels over de juistheid van het aan het bestreden besluit ten grondslag liggende medische oordeel. De Raad gaat er daarom vanuit dat vanaf 1 oktober 2004 appellant niet langer (medische) arbeidsbeperkingen ondervond. Dat de verzekeringsarts bij de beoordeling in maart 2003 tot andere bevindingen is gekomen, doet hieraan niet af.

In hoger beroep heeft appellant naar voren gebracht dat de handhaving van de beëindiging van zijn arbeidsongeschiktheidsuitkering onder, in zijn stellingen, wijziging of aanvulling van de motivering, in strijd is met het verbod van reformatio in peius, zoals neergelegd in art. 7:11 van de Algemene wet bestuursrecht.

Deze beroepsgrond slaagt reeds daarom niet, nu de handhaving van de beëindiging in het bestreden besluit appellant geen wijziging bracht in de rechtsbetrekking zoals deze in het beëindigingsbesluit was vastgesteld.

Appellant heeft in hoger beroep zich andermaal beroepen op het zorgvuldigheidsbeginsel. Hij heeft in dat verband aangevoerd dat hem uit de tekst van het intrekkingsbesluit van 3 september 2004 niet duidelijk was of redelijkerwijs kon zijn dat hij in staat werd geacht zijn eigen werk vanaf 1 oktober 2004 te kunnen verrichten en dat om die reden de beëindiging van de uitkering niet eerder dan per 4 november 2004 had mogen plaats vinden.

Uit het zorgvuldigheidsbeginsel vloeit voort - zoals de Raad reeds herhaaldelijk heeft overwogen- dat een arbeidsongeschiktheidsuitkering eerst in verband met geschiktheid voor de laatstelijk verrichte dan wel andere werkzaamheden kan worden ingetrokken, nadat de betrokken uitkeringsgerechtigde ervan op de hoogte is (gebracht) weer arbeidsgeschikt te zijn, dan wel dit anderszins redelijkerwijs had moeten begrijpen en voorts in het algemeen - tenzij betrokkene direct bij de eigen werkgever in de eigen vroegere arbeid kan hervatten - nadat betrokkene in de gelegenheid is gesteld zich gedurende een zekere termijn op de nieuwe situatie in te stellen en zich zonodig een nieuwe functie te verwerven.

Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat het Uwv in het onderhavige geval deze zogenaamde uitlooptermijn niet in acht behoefde te nemen. De verzekeringsarts heeft appellant op 18 augustus 2004 tijdens het spreekuur geïnformeerd dat geen (medische) arbeidsbeperkingen resteerden. Appellant was en is werkzaam (gebleven) als zelfstandig restauranthouder, zij het dat hij zijn werk na zijn ziekmelding heeft aangepast. Appellant had al uit de hem door de verzekeringsarts op 18 augustus 2004 verstrekte informatie redelijkerwijs kunnen en moeten begrijpen dat medische gronden niet langer in de weg stonden aan het in volle omvang verrichten van zijn werk als zelfstandig restaurant-houder.

De aangevallen uitspraak komt voor bevestiging in aanmerking.

Voor een proceskostenveroordeling ziet de Raad geen aanleiding.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door R.C. Stam. De beslissing is, in tegenwoordigheid van T.R.H. van Roekel als griffier, uitgesproken in het openbaar op 18 januari 2008.

(get.) R.C. Stam.

(get.) T.R.H. van Roekel.

JL