Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BC2396

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
08-01-2008
Datum publicatie
22-01-2008
Zaaknummer
06-4189 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking en terugvordering bijstandsuitkering. Controle van het opgegeven woonadres: Heeft appellant zijn woonplaats op het adres van zijn moeder prijsgegeven?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

06/4189 WWB

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Zutphen van 8 juni 2006, 05/1718 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Putten (hierna: College)

Datum uitspraak: 8 januari 2008

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. M.J.J.E. Stassen, advocaat te Tilburg, hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 27 november 2007. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Stassen. Het College heeft zich niet laten vertegenwoordigen. Tevens zijn gehoord als door appellant meegebrachte getuigen [getuige 1], wonende te Nijkerk, en [getuige 2], wonende te Voorthuizen.

II. OVERWEGINGEN

De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

Appellant ontvangt vanaf 26 februari 2002 bijstand naar de norm voor een alleenstaande, laatstelijk ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB).

Bij besluit van 2 november 2004 heeft het College met toepassing van artikel 40, zesde lid, van de WWB de bijstand van appellant met ingang van 1 september 2004 ingetrokken nadat eerder met toepassing van artikel 40, derde lid, van de WWB bij besluit van 15 oktober 2004 het recht op bijstand met ingang van die datum was opgeschort. Het College heeft hierbij overwogen dat uit onderzoek is gebleken dat appellant zijn hoofdverblijf niet langer heeft op het door hem opgegeven adres, [adres 1] te Putten, dan wel op een ander adres binnen de gemeente Putten. Appellant heeft tegen het besluit van 15 oktober 2004 noch tegen dat van 2 november 2004 bezwaar gemaakt.

Vervolgens heeft de sociale recherche nader onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan appellant tot 1 september 2004 verleende bijstand. De bevindingen en conclusies van dat onderzoek, in welk kader onder meer appellant en een aantal getuigen zijn gehoord, zijn neergelegd in een rapport van 13 december 2004.

Het College heeft hierin aanleiding gevonden om bij besluit van 14 februari 2005 de aan appellant over de periode van 1 augustus 2002 tot 1 september 2004 verleende bijstand in te trekken. Het College heeft overwogen dat appellant onjuiste inlichtingen heeft verstrekt over zijn daadwerkelijke verblijfplaats. Tevens heeft het College bij dit besluit de over genoemde periode gemaakte kosten van bijstand tot een bedrag van € 16.586,74 van appellant teruggevorderd. Bij besluit van 24 maart 2005 is dit bedrag gewijzigd in € 11.602,99.

Bij besluit van 6 september 2005 heeft het College het bezwaar tegen het besluit van 14 februari 2004, aangevuld bij besluit van 24 maart 2005, ongegrond verklaard. In overeenstemming met het advies van de commissie Bezwaarschriften van 6 juli 2005 heeft het College zich onder verwijzing naar artikel 40, eerste lid, van de WWB op het standpunt gesteld dat appellant gedurende de hier aan de orde zijnde periode zijn woonplaats niet langer heeft in de gemeente Putten en dat appellant, door dit niet te melden, zijn inlichtingenverplichting heeft geschonden.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 6 september 2005 ongegrond verklaard.

Appellant heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen deze uitspraak gekeerd.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

Ingevolge (het tot 1 januari 2004 van toepassing zijnde) artikel 63, eerste lid, van de Algemene bijstandswet (Abw) en (het per 1 januari 2004 van toepassing zijnde) artikel 40, eerste lid, van de WWB bestaat het recht op bijstand jegens het college van de gemeente waar de belanghebbende woonplaats heeft als bedoeld in de artikelen 10, eerste lid, en 11 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek. Uit deze artikelen volgt, voor zover in dit geschil van belang, dat de woonplaats van een natuurlijk persoon zich bevindt te zijner woonstede. Een natuurlijk persoon verliest zijn woonstede door daden, waaruit zijn wil blijkt om haar prijs te geven.

Volgens vaste jurisprudentie van de Raad wordt de vraag waar iemand zijn woonplaats heeft beantwoord aan de hand van de feitelijke omstandigheden.

Uit de gedingstukken blijkt dat appellant tot 29 juli 2002 bij de gemeentelijke basisadministratie (GBA) stond ingeschreven op het adres [adres 2] te Putten, en vanaf 29 juli 2002 op het adres [adres 1] te Putten, het adres van zijn moeder. Uit het door het sociale recherche ingestelde onderzoek is gebleken dat appellant zeer geregeld en ook gedurende langere tijd niet op dat adres verbleef in verband met het feit dat hij in Frankrijk bij een kennis verbleef, met een vriend meeging als bijrijder op een vrachtwagen naar Frankrijk en Spanje en verder ook bij vrienden was. Hieruit kan naar het oordeel van de Raad echter niet worden afgeleid dat appellant, die tevens heeft gemeld na iedere reis vanuit het buitenland weer een aantal dagen op het adres [adres 1] te verblijven, daarmee zijn woonplaats buiten de gemeente Putten heeft verplaatst. Ook het feit dat de door appellant gebruikte auto tijdens de door de sociale recherche verrichte waarnemingen niet in de buurt van de woning van zijn moeder is aangetroffen, leidt op zichzelf nog niet tot de conclusie dat appellant zijn woonplaats op het adres van zijn moeder heeft prijsgegeven.

Dit betekent dat het besluit van 6 september 2005 niet op een deugdelijke motivering berust, hetgeen de rechtbank niet heeft onderkend. De Raad zal de aangevallen uitspraak dan ook vernietigen. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen, zal de Raad het beroep gegrond verklaren en het besluit van 6 september 2005 vernietigen wegens strijd met het in artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht neergelegde vereiste van een deugdelijke motivering. Het College zal vervolgens een nieuw besluit op het bezwaar van appellant dienen te nemen.

De Raad overweegt in dat verband, dat dit niet behoeft in te houden dat het College gehouden zal zijn om met herroeping van de besluiten van 14 februari 2005 en 24 maart 2005 de intrekking van de bijstand vanaf 1 augustus 2002 en daarmee de terugvordering van de tot 1 september 2004 gemaakte kosten van bijstand (geheel) ongedaan te maken. De Raad wijst er in dat verband op dat uit de door appellant afgelegde en door hem ondertekende verklaring van 13 oktober 2004 blijkt dat hij vanaf het moment dat hij in de GBA op het adres van zijn moeder staat ingeschreven zeer geregeld als bijrijder op een vrachtwagen in het buitenland verbleef en ook anderszins bij een kennis in Frankrijk verbleef zonder dat hij dit aan het College had gemeld. Ter zitting heeft appellant een en ander desgevraagd bevestigd. De verklaring van appellant wordt voorts bevestigd door zijn moeder in haar verklaring van 4 oktober 2004 alsmede door de verklaringen van

[getuige 3] en [getuige 4] van 5 november 2004 respectievelijk 12 november 2004. De Raad wijst in dit verband op artikel 9, eerste lid, aanhef en onder d, van de Algemene bijstandswet en artikel 13, eerste lid, aanhef en onder d, van de WWB. Voorts blijkt uit de gedingstukken dat appellant heeft erkend dat hij rijdende met een tractor met daarachter een mestverspreider is aangetroffen en dat hij wel eens een vrachtauto heeft opgehaald.

De Raad ziet aanleiding om het College te veroordelen in de proceskosten van appellant. Deze kosten worden begroot op € 644,-- in beroep en op € 644,-- in hoger beroep voor verleende rechtsbijstand.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep gegrond;

Vernietigt het besluit van 6 september 2005;

Bepaalt dat het College een nieuw besluit op bezwaar neemt met inachtneming van deze uitspraak;

Veroordeelt het College in de proceskosten van appellant tot een bedrag van € 1.288,--, te betalen door de gemeente Putten;

Bepaalt dat de gemeente Putten aan appellant het in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 142,-- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door Th.C. van Sloten. De beslissing is, in tegenwoordigheid van L. Jörg als griffier, uitgesproken in het openbaar op 8 januari 2008.

(get.) Th.C. van Sloten.

(get.) L. Jörg.

IJ070108