Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BC2394

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
16-01-2008
Datum publicatie
22-01-2008
Zaaknummer
06-3356 WAJONG
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering WAJONG-uitkering omdat betrokkene niet onafgebroken 52 weken arbeidsongeschikt is geweest.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

06/3356 WAJONG

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante],

tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Hertogenbosch van 28 april 2006, 05/2505 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 16 januari 2008

I. PROCESVERLOOP

Appellante heeft hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 5 december 2007. Appellante is, met berichtgeving, niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door A.G. Lavrijsen.

II. OVERWEGINGEN

Appellante, geboren [in] 1978, heeft naar aanleiding van haar aanvraag om in aanmerking te komen voor een uitkering ingevolge de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (Wajong) het spreekuur van

1 november 2004 van verzekeringsarts G. Emsens bezocht. Appellante heeft aangegeven dat zij sedert 2000 klachten heeft die betrekking hebben op een burn-out en dat zij vanaf februari 2004 ook psychische klachten en rugklachten heeft. De verzekeringsarts heeft na lichamelijk en psychisch onderzoek geen afwijkingen gevonden. In zijn rapportage van

1 november 2004 stelt de verzekeringsarts dat de door appellante geclaimde vier jaar durende ongeschiktheid inconsistent is met de in die periode gemaakte combinatie van én studeren én gemiddeld 15 tot 20 uren per week werken.

In overeenstemming met de rapportage van de verzekeringsarts van 1 november 2004, heeft het Uwv bij besluit van 8 november 2004 aan appellante meegedeeld dat zij geen recht heeft op een uitkering ingevolge de Wajong omdat zij vanaf het jaar 2000 niet 52 weken onafgebroken arbeidsongeschikt is geweest.

Het bezwaar van appellante tegen het besluit van 8 november 2004 heeft het Uwv, na een heroverweging door bezwaarverzekeringsarts S.N. van Erk-Raes, bij besluit van 12 juli 2005 (hierna: het bestreden besluit) ongegrond verklaard.

De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

In hoger beroep heeft appellante zich – onder meer – op het standpunt gesteld dat de rapportages van de verzekeringsarts en de bezwaarverzekeringsarts een discrepantie vertonen met de diagnoses van de behandelaars van appellante. Ter onderbouwing heeft zij medische rapportages van verzekeringsartsen van het Uwv van 21 maart 2006,

26 oktober 2006, 15 januari 2007 en 2 april 2007 en een rapport van klinisch psycholoog A.M.J.T. Notermans van 27 april 2006 overgelegd. Voorts heeft appelante een besluit van 23 november 2007 overgelegd waaruit blijkt dat appellante per 14 december 2007 recht heeft op een uitkering ingevolge de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (WIA).

De Raad overweegt als volgt.

De vraag waarvoor de Raad zich gesteld ziet is of het Uwv op juiste gronden bij besluit van 12 juli 2005 het besluit van 8 november 2004 heeft gehandhaafd waarbij het Uwv appellante heeft meegedeeld dat zij vanaf het jaar 2000 niet onafgebroken 52 weken arbeidsongeschikt is geweest en derhalve geen recht heeft op een uitkering ingevolge de Wajong.

De Raad ziet geen aanknopingspunten om te twijfelen aan de zorgvuldigheid van de medische beoordeling door verzekeringsarts Emsens en bezwaarverzekeringsarts Van Erk-Raes. Verzekeringsarts Emsens heeft appellante lichamelijk en psychisch onderzocht. Ook de bezwaarverzekeringsarts heeft appellante ter gelegenheid van de hoorzitting op

9 juni 2005 onderzocht. De bezwaarverzekeringsarts beschikte bij haar beoordeling tevens over schriftelijke informatie van de huisarts van appellante van 31 december 2004 en 22 maart 2005 en van psychotherapeut J.G.H. van Mulken van 8 maart 2005. De Raad is voorts – onder verwijzing naar de rapportages van de verzekeringsarts en de bezwaarverzekeringsarts van respectievelijk 1 november 2004 en 30 juni 2005 – van oordeel dat de informatie van de huisarts en de psychotherapeut niet kan leiden tot de conclusie dat appellante vanaf 2000 onafgebroken 52 weken arbeidsongeschikt is geweest. De stelling van appellante dat zij vanaf 2000 arbeidsongeschiktheid is verhoudt zich niet met haar activiteiten vanaf dat jaar, te weten een combinatie van studeren en gemiddeld 15 tot 20 uur per week werken.

De psychotherapeut – bij wie appellante sedert 2 december 2004 onder behandeling is – stelt achteraf de diagnose dat appellante vanaf 2001 psychische problemen heeft die zich uiten in een dysthyme stoornis. Deze diagnose wordt echter niet ondersteund door de informatie van de huisarts, waaruit blijkt dat deze in 2001 geen diagnose heeft gesteld die op depressieve klachten duidt.

Ten aanzien van de in hoger beroep overgelegde rapporten van de verzekeringsartsen van het Uwv en het rapport van klinisch psycholoog Notermans, die hebben geresulteerd in een toekenning van een uitkering ingevolge de WIA, is de Raad van oordeel dat daaraan niet dat gewicht toegekend kan worden die appellante daaraan gehecht wil zien. Daarbij tekent de Raad aan dat desbetreffende medische informatie ziet op een ziekmelding per 16 december 2005 en derhalve op een periode ver na de periode hier in geding, waarbij de Raad voorts van belang acht dat de aanleiding van deze ziekmelding, zoals ook door de gemachtigde van het Uwv ter zitting is meegedeeld, is gelegen in de omstandigheid dat appellante betrokken is geweest bij een ernstig auto-ongeval.

Gelet op het vorenstaande is de Raad van oordeel dat het bestreden besluit op een juiste grondslag berust. De aangevallen uitspraak komt dan ook voor bevestiging in aanmerking.

De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door Ch. van Voorst. De beslissing is, in tegenwoordigheid van P. van der Wal als griffier, uitgesproken in het openbaar op 16 januari 2008.

(get.) Ch. van Voorst.

(get.) P. van der Wal.

JL