Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BC2392

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
08-01-2008
Datum publicatie
22-01-2008
Zaaknummer
06-4838 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking en terugvordering bijstand. Er zijn onvoldoende waarborgen dat het rapport een juiste zakelijke weergave is van de bevindingen van het huisbezoek. Onvoldoende aanwijzingen voor de conclusie dat onjuiste informatie is verschaft omtrent de woon- en leefsituatie.

Wetsverwijzingen
Wet werk en bijstand
Wet werk en bijstand 17
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JWWB 2008, 51
USZ 2008/70
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

06/4838 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellante] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 4 juli 2006, 05/8146 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente ’s-Gravenhage (hierna: College)

Datum uitspraak: 8 januari 2008

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. A. Boumanjal, advocaat te Utrecht, hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 27 november 2007. Voor appellante is verschenen mr. H.K. Jap-A-Joe. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. K.H. van Bolhuis, werkzaam bij de gemeente ’s-Gravenhage.

II. OVERWEGINGEN

De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

Appellante ontving vanaf 5 juni 1996 bijstand naar de norm voor een alleenstaande ouder, laatstelijk op grond van de Wet werk en bijstand (WWB).

Naar aanleiding van een vermoeden dat de woonsituatie van appellante niet in overeenstemming is met hetgeen zij hieromtrent heeft medegedeeld, heeft de Dienst Sociale Zaken en Werkgelegenheidsprojecten van de gemeente ’s-Gravenhage een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan appellante verleende bijstand. In dat kader is een huisbezoek afgelegd en is met appellante een gesprek gevoerd.

Op basis van de bevindingen van dat onderzoek, welke zijn neergelegd in een rapport van 10 mei 2005, heeft het College bij besluit van 13 mei 2005 de bijstand van appellante met ingang van 1 mei 2005 beëindigd (lees: met ingang van 28 april 2005 ingetrokken), en de gemaakte kosten van bijstand over de periode van 28 april 2005 tot en met 30 april 2005 tot een bedrag van € 70,32 van haar teruggevorderd.

Bij besluit van 19 september 2005 heeft het College het bezwaar tegen het besluit van 13 mei 2005 ongegrond verklaard. Het College heeft hieraan ten grondslag gelegd dat appellante de in artikel 17, eerste lid, van de WWB neergelegde inlichtingenplicht heeft geschonden door onvoldoende inlichtingen te verschaffen omtrent haar woon- en leefsituatie, waardoor het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 19 september 2005 ongegrond verklaard.

Appellante heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

De Raad stelt allereerst vast dat het College de bijstand bij besluit van 13 mei 2005 heeft ingetrokken met ingang van 28 april 2005 en de intrekking niet heeft beperkt tot een bepaalde periode. Bij besluit van 19 september 2005 heeft het College deze intrekking per 28 april 2005 onverkort gehandhaafd. Volgens vaste rechtspraak van de Raad bestrijkt de beoordeling door de bestuursrechter in een dergelijk geval de periode vanaf de datum met ingang waarvan de bijstand is ingetrokken tot en met de datum van het primaire (intrekkings)besluit. Het voorgaande betekent dat hier beoordeeld dient te worden de periode van 28 april 2005 tot en met 13 mei 2005.

De Raad stelt verder vast dat het bij het besluit inzake intrekking van bijstand gaat om een belastend besluit waarbij het aan het bestuursorgaan is om de nodige kennis omtrent de relevante feiten te vergaren. Dat betekent dat de bewijslast met betrekking tot het standpunt van het College dat appellante onjuiste informatie heeft verschaft omtrent haar woon- en leefsituatie en dat als gevolg daarvan het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld in beginsel niet op appellante maar op het College rust.

Het College heeft zich op het standpunt gesteld dat de bevindingen van het huisbezoek voldoende grondslag vormen voor de door het College getrokken conclusie. Appellante heeft echter reeds in de bezwaarfase een aantal bevindingen uit het rapport van 10 mei 2005 betwist. Zo heeft zij verklaard dat zij wel degelijk haar medicijnen heeft getoond aan de medewerker van de sociale dienst, dat tijdens het huisbezoek niet is gekeken in de badkamer en de keuken en dat er wel kleding van appellante aanwezig was. Een en ander zou ten onrechte niet in het rapport van 10 mei 2005 zijn opgenomen.

De Raad overweegt hieromtrent allereerst dat niet duidelijk is geworden door wie het huisbezoek is afgelegd. Onder het rapport van 10 mei 2005 staat slechts de naam van [een sociaal rechercheur], terwijl uit de rapportage kan worden opgemaakt dat het huisbezoek door meer dan een medewerker is afgelegd.

De Raad overweegt voorts dat het rapport van de bevindingen van het huisbezoek niet is opgemaakt op ambtseed of ambtsbelofte van een - tot opsporing bevoegde - sociaal rechercheur. Verder ontbreekt een ter plekke opgemaakt verslag van het huisbezoek en is niet gebleken noch gesteld dat de bevindingen van het huisbezoek, welke eerst 12 dagen daarna in voornoemd rapport zijn neergelegd, appellante zijn voorgelezen of ter lezing aangeboden dan wel ter ondertekening aan haar zijn voorgehouden. De Raad is op grond van het voorgaande van oordeel dat er onvoldoende waarborgen zijn dat het rapport van 10 mei 2005 een juiste zakelijke weergave is van de bevindingen van het huisbezoek. Het rapport biedt dan ook onvoldoende aanwijzingen voor de conclusie dat appellante onjuiste informatie heeft verschaft omtrent haar woon- en leefsituatie en dat als gevolg daarvan het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld.

Uit de gedingstukken blijkt dat het College over de woon- en leefsituatie van appellante twijfels had. Het had op de weg van het College gelegen daarnaar nader onderzoek in te stellen, bijvoorbeeld door het stellen van nadere vragen aan appellante of het verrichten van een buurtonderzoek. Dat heeft het College nagelaten.

Het voorgaande betekent dat de intrekking van de aan appellante verleende bijstand met ingang van 28 april 2005 in strijd met de artikelen 3:2 en 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht niet met de vereiste zorgvuldigheid is voorbereid en evenmin op een deugdelijke motivering berust.

Nu het besluit tot intrekking van de bijstand met ingang van 28 april 2005 niet in stand kan blijven, is daarmee tevens de grondslag aan de terugvordering van de kosten van bijstand over de periode van 28 april 2005 tot en met 30 april 2005 komen te ontvallen.

De rechtbank heeft dit niet onderkend. De Raad zal de aangevallen uitspraak dan ook vernietigen. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen, zal de Raad - met gegrondverklaring van het beroep - het besluit van 19 september 2005 vernietigen. De Raad ziet tevens aanleiding het (primaire) besluit van 13 mei 2005 te herroepen omdat dit besluit op dezelfde onhoudbare grond berust en niet aannemelijk is dat dit gebrek nog kan worden hersteld.

De Raad ziet ten slotte aanleiding om het College te veroordelen in de proceskosten van appellante. Deze kosten worden begroot op € 644,-- in bezwaar, op € 644,-- in beroep en op eveneens € 644,-- in hoger beroep voor verleende rechtsbijstand.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep gegrond;

Vernietigt het besluit van 19 september 2005;

Herroept het besluit van 13 mei 2005;

Veroordeelt het College in de proceskosten van appellante tot een bedrag van € 1.932,--, te betalen door de gemeente ’s-Gravenhage aan de griffier van de Raad;

Bepaalt dat de gemeente ’s-Gravenhage aan appellante het in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 142,-- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door A.B.J. van der Ham als voorzitter en K. Zeilemaker en J.J.A. Kooijman als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van P.C. de Wit als griffier, uitgesproken in het openbaar op 8 januari 2008.

(get.) A.B.J. van der Ham.

(get.) P.C. de Wit.

IJ070108