Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BC2391

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
10-01-2008
Datum publicatie
22-01-2008
Zaaknummer
06-3066 AW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Onvoorwaardelijke disciplinaire ontslag. 26 keer plichtsverzuim met tankpas. Terugvordering.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
TAR 2008/96
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

06/3066 AW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant],

tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank ’s-Gravenhage van 14 april 2006, 06/1745 en 06/1746 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

Gedeputeerde Staten van de provincie Zuid-Holland (hierna: gedeputeerde staten)

Datum uitspraak: 10 januari 2008

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Gedeputeerde staten hebben een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 8 november 2007. Appellant is, daartoe opgeroepen, in persoon verschenen, bijgestaan door mr. Y.K. de Boer, advocaat te ’s-Gravenhage. Gedeputeerde staten, opgeroepen om bij gemachtigde te verschijnen, hebben zich laten vertegenwoordigen door mr. G.D. Aiken, juridisch adviseur te Amsterdam.

II. OVERWEGINGEN

1. Voor een uitgebreidere weergave van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden wordt verwezen naar de aangevallen uitspraak. De Raad volstaat met het navolgende.

1.1. Appellant was sedert 1980 werkzaam bij de provincie Zuid-Holland laatstelijk in de functie van [naam functie]. Met ingang van 28 oktober 2004 is appellant geschorst nadat was gebleken dat hij betrokken was geweest bij de verkoop van afgeschreven beeldschermen. Gedeputeerde staten hebben tevens onderzoek ingesteld in verband met niet goed te verklaren gegevens over het gebruik van de tankpas die behoorde bij de door appellant voor zijn werk gebruikte dienstauto’s. Naar aanleiding van appellants reacties op de onderzoeksresultaten is herhaald nader onderzoek verricht. Bij brief van 9 juni 2005 is het voornemen kenbaar gemaakt om onvoorwaardelijk disciplinair ontslag te verlenen en € 874,96 terug te vorderen. Appellant heeft hierop zijn zienswijze gegeven.

1.2. Bij besluit van 27 juli 2005 hebben gedeputeerde staten besloten appellant de disciplinaire straf van onvoorwaardelijk ontslag op te leggen en een bedrag van € 874,96 terug te vorderen. Aan het strafontslag is ten grondslag gelegd dat appellant 20 afgeschreven beeldschermen van de provincie heeft verkocht en de opbrengst gedeeltelijk zelf heeft behouden, dat appellant 26 keer met de tankpas van zijn dienstauto privé benzine heeft getankt en dat hij door de provincie toegezonden facturen voor 13 verkeers-boetes bij het rijden met de dienstauto ook na aanmaningen niet heeft betaald. De terug- vordering van € 874,96 betreft het bedrag van de onrechtmatig getankte benzine. Na daartegen gemaakt bezwaar hebben gedeputeerde staten bij het bestreden besluit van

31 januari 2006 het besluit van 27 juli 2005 gehandhaafd.

2. Bij de aangevallen uitspraak is het bestreden besluit in stand gelaten.

3. Naar aanleiding van hetgeen partijen in hoger beroep naar voren hebben gebracht overweegt de Raad het navolgende.

4. Het onvoorwaardelijke disciplinaire ontslag

4.1. Appellant heeft ook in hoger beroep vastgehouden aan zijn stelling dat hij niet 26 keer maar slechts drie keer privé benzine heeft getankt. Mede gelet op de overige door appellant erkende plichtsverzuimen is hij van opvatting dat de straf van onvoorwaardelijk strafontslag te zwaar is.

4.2. De Raad overweegt in de eerste plaats dat hij gedeputeerde staten kan volgen in hun ter zitting ingenomen standpunt dat de straf van onvoorwaardelijk strafontslag in rechte reeds zou hebben kunnen standhouden, indien appellant naast de overige erkende plichtsverzuimen niet meer dan drie keer privé gebruik zou hebben gemaakt van de tankpas. Van een functionaris, die belast is met vervoer van goederen en post en die de verantwoordelijkheid draagt voor zijn bus en tankpas, verlangen gedeputeerde staten niet ten onrechte volledige integriteit bij het omgaan met provinciale eigendommen. Door de verkoop van provinciale eigendommen en door misbruik te maken van de tankpas is appellant ernstig tekortgeschoten in integer handelen. Gelet op de in het verleden aan appellant gegeven waarschuwingen en opgelegde disciplinaire straf gold appellant bovendien als een gewaarschuwd man. De Raad deelt het oordeel van gedeputeerde staten over de ernst van dit plichtsverzuim en kan de straf van onvoorwaardelijk ontslag niet onevenredig achten. Het beperkte geldelijk gewin van de verkochte beeldschermen en - als daarvan wordt uitgegaan - drie keer privé tanken kan aan het vorenstaande niet afdoen.

4.3. In verband met de vraag of gedeputeerde staten gevolgd kunnen worden in de stelling dat appellant 26 keer privé getankt heeft met zijn tankpas merkt de Raad in de eerste plaats op dat de onderzoeksgegevens onbetwist uitwijzen dat er 26 keer euro loodvrije benzine is getankt terwijl de dienstauto van appellant op diesel rijdt. Gedeputeerde staten hebben de door appellant achtereenvolgens gegeven verklaringen voor die 26 tankbeurten gecontroleerd. Daarbij is steeds gebleken dat de (veronder)stellingen van appellant niet klopten. Vastgesteld is ook dat appellant dienst heeft gehad op alle dagen waarop euro loodvrije benzine is getankt.

4.4. Appellant heeft ter zitting herhaald dat collega’s privé de tankpas voor benzine hebben kunnen gebruiken wanneer zij met toestemming van de chef van de postkamer de dienstauto voor een privéaangelegenheid mochten gebruiken. Ook heeft appellant voor het eerst ter zitting aangegeven dat de chef van de postkamer soms aan collega’s opdracht gaf om post te bezorgen met hun eigen auto en dat hij zijn tankpas dan aan zo’n collega moest geven omdat die collega dat werk niet gratis hoefde te doen.

In aanmerking genomen dat appellant geen begin van aannemelijkheid voor deze mogelijkheden van misbruik door anderen heeft aangedragen en gelet op de wisselende verklaringen van appellant over die tankbeurten, gaat de Raad aan deze stellingen voorbij.

4.5. Gelet op het vorenstaande is de Raad van oordeel dat gedeputeerde staten met juistheid hebben gesteld dat appellant 26 keer plichtsverzuim heeft gepleegd met zijn tankpas. Voor zover appellant eventueel een of meermalen niet zelf de benzine heeft getankt, dan brengt zijn verantwoordelijkheid voor de dienstauto en de tankpas - gelet op de hierboven vermelde vaststaande feiten - mee dat het privé tanken door anderen voor zijn rekening mag worden gebracht en in zoverre op één lijn gesteld mag worden met het zelf privé gebruik maken van de tankpas.

4.6. De Raad deelt dus het oordeel van de voorzieningenrechter van de rechtbank dat het bestreden besluit, voor zover daarbij het besluit tot oplegging van het onvoorwaardelijk disciplinair ontslag is gehandhaafd, in stand kan blijven.

5. De terugvordering van € 874,96

5.1. Gedeputeerde staten hebben ter zitting desgevraagd erkend dat het niet zozeer om een terugvordering gaat als wel om een vergoeding van het nadeel dat appellant aan de provincie heeft toegebracht, zoals ook blijkt uit de voornemensbrief. Voor de houd-baarheid van dit onderdeel van het bestreden besluit moet de Raad, gelet op artikel F3 van de Collectieve arbeidsvoorwaardenregeling provincies, de vraag beantwoorden of de benadeling van de provincie ten gevolge van het privégebruik van de tankpas onder de noemer van opzet of bewuste roekeloosheid kan worden gebracht.

5.2. De Raad beantwoordt deze vraag bevestigend. Hij volstaat met te verwijzen naar hetgeen is overwogen onder 4.3. tot en met 4.6. De Raad deelt dus het oordeel van de voorzieningenrechter van de rechtbank dat dit deel van het bestreden besluit in stand kan blijven, zij het op enigszins andere gronden.

6. Op grond van het hiervoor overwogene komt de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking.

6.1. De Raad acht tot slot geen termen aanwezig toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht inzake vergoeding van proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door G.P.A.M. Garvelink-Jonkers als voorzitter en G.L.M.J. Stevens en T. van Peijpe als leden. De beslissing is in tegenwoordigheid van K. Moaddine als griffier uitgesproken in het openbaar op 10 januari 2008.

(get.) G.P.A.M. Garvelink-Jonkers.

(get.) K. Moaddine.

HD