Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BC2380

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
18-01-2008
Datum publicatie
22-01-2008
Zaaknummer
06-437 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Hoger beroep niet-ontvankelijk. Ontbreken procesbelang.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

06/437 WAO

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante],

tegen de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 5 december 2005, kenmerk 05/1044 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: het Uwv).

Datum uitspraak: 18 januari 2008

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. G.Tj. de Jong, advocaat te Utrecht, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend waarbij gevoegd een afschrift van een nieuwe beslissing op bezwaar van 27 februari 2006.

Met toestemming van partijen heeft de Raad bepaald dat het onderzoek ter zitting achterwege blijft, waarna het onderzoek is gesloten.

II. OVERWEGINGEN

Bij besluit van 29 november 2004 heeft het Uwv aan appellant meegedeeld dat zijn uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), die laatstelijk werd berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%, met ingang van 17 januari 2005 wordt ingetrokken.

Het namens appellant tegen dat besluit ingediende bezwaar heeft het Uwv bij besluit van 31 maart 2005 (hierna: het betreden besluit) ongegrond verklaard.

De rechtbank Utrecht heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaard en heeft het bestreden besluit op arbeidskundige gronden vernietigd met bijkomende bepalingen omtrent vergoeding van proceskosten en griffierecht. De rechtbank heeft de juistheid van de medische gronden van het bestreden besluit onderschreven. Hiertegen is het namens appellant ingestelde hoger beroep gericht.

Met het nadere besluit van 27 februari 2006 heeft het Uwv te kennen gegeven de intrekking van de WAO-uitkering met ingang van 17 januari 2005 niet langer te handhaven. Ten gevolge hiervan wordt het arbeidsongeschiktheidspercentage van appellant met ingang van 17 januari 2005 onveranderd vastgesteld op 80 tot 100.

Appellant heeft zich vervolgens op het standpunt gesteld zijn hoger beroep te handhaven op grond van het feit dat de rechtbank de medische grondslag van het bestreden besluit onderschreven heeft. Appellant is van mening enkel al op medische gronden, vanwege zijn psychische gesteldheid, volledig arbeidsongeschikt te zijn.

Partijen hebben aangegeven ermee in te stemmen dat in deze procedure uitspraak wordt gedaan zonder dat behandeling ter zitting plaatsvindt.

De Raad overweegt als volgt.

Naar het oordeel van de Raad is met het nadere besluit van 27 februari 2006 het Uwv volledig tegemoet gekomen aan hetgeen appellant met zijn beroep trachtte en kon bereiken.

Uit ’s-Raads uitspraak van 4 februari 1997, LJN: ZB6628, volgt dat in zo’n geval belang bij een beoordeling van het bestreden besluit in beginsel is komen te vervallen, tenzij van zo’n belang blijkt, bijvoorbeeld omdat verzocht is om het toekennen van een schadevergoeding op grond van artikel 8:73 van de Awb.

De Raad stelt vast dat namens appellant een dergelijk verzoek niet is gedaan, waarmee het hoger beroep niet-ontvankelijk moet worden verklaard wegens het ontbreken van enig procesbelang.

Tenslotte is namens appellant bij schrijven van 3 september 2007 verzocht om het Uwv te veroordelen in de kosten van het geding.

Nu het Uwv niet heeft betwist dat aldus aan appellant is tegemoetgekomen, ziet de Raad aanleiding om het Uwv te veroordelen in de kosten die appellant in verband met de behandeling van het hoger beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze proceskosten worden, ingevolge het Besluit proceskosten bestuursrecht begroot op

€ 322,- voor verleende rechtsbijstand in hoger beroep.

Voor vergoeding van het betaalde griffierecht in hoger beroep kan appellant zich rechtstreeks tot het Uwv wenden.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk;

Veroordeelt de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen in de kosten van appellant tot een bedrag van € 322,- te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan de griffier van de Raad.

Deze uitspraak is gedaan door D.J. van der Vos. De beslissing is, in tegenwoordigheid van S. Sweep als griffier, uitgesproken in het openbaar op 18 januari 2008.

(get.) D.J. van der Vos.

(get.) S. Sweep.

JL