Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BC2379

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
11-01-2008
Datum publicatie
22-01-2008
Zaaknummer
05-6777 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Schatting WAO. Juistheid oordeel belastbaarheid. Geschiktheid geselecteerde functies.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

05/6777 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante],

tegen de uitspraak van de rechtbank Assen van 13 oktober 2005, 04/1069 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 11 januari 2008

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. F.A.K.J. de Roock, werkzaam bij DAS rechtsbijstand, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Bij schrijven van 9 februari 2006 heeft voormelde gemachtigde enkele rapporten van

G.J. van Norel, orthopedisch chirurg, in het geding gebracht.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 3 augustus 2007. Beide partijen zijn met voorafgaand bericht niet verschenen. De Raad heeft, omdat het onderzoek niet volledig was geweest, het onderzoek heropend.

De Raad heeft bij schrijven van 29 augustus 2007 een vraag gesteld aan dr. R. Deutman, orthopedisch chirurg te Groningen, welke deze op 7 september 2007 heeft beantwoord.

Bij brief van 8 oktober 2007 heeft het Uwv een rapport van 2 oktober 2007 van L.H.L Stiekema, bezwaararbeidsdeskundige, met bijlagen, ingezonden.

Het onderzoek ter zitting heeft opnieuw plaatsgevonden op 30 november 2007. Appellante en haar gemachtigde waren, met voorafgaand bericht, niet aanwezig. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. P. Belopavlovic.

II. OVERWEGINGEN

Appellante, voorheen werkzaam als verkoopster, heeft zich op 3 september 1996 ziek gemeld met voet-, been- en rugklachten. Na afloop van de wettelijke wachttijd is haar een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80-100%. In het kader van een zogenoemde vijfdejaarsherbeoordeling heeft het Uwv, na rapportages door de verzekeringsarts en de bezwaarverzekeringsarts, vastgesteld, dat zij weliswaar beperkingen ondervindt bij het verrichten van arbeid zoals vastgelegd in een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML), maar dat zij in staat moet worden geacht met deze beperkingen gangbare arbeid te kunnen verrichten en daarmee een zodanig inkomen kan verdienen dat een verlies aan verdiencapaciteit resteert van minder dan 15%. Dienovereenkomstig heeft het Uwv bij besluit van 19 november 2003 de WAO-uitkering van appellante ingetrokken per 19 januari 2004. Het namens appellante tegen dit besluit gemaakte bezwaar heeft het Uwv bij besluit van 15 oktober 2004 (hierna: het bestreden besluit) ongegrond verklaard.

Namens appellante is beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Daarbij is met name aangevoerd dat zij meer beperkingen heeft dan het Uwv heeft aangenomen en dat zij deswege de voor haar geselecteerde functies niet kan uitoefenen. Ter ondersteuning van deze stelling heeft zij rapporten in geding gebracht van onder andere B. Hogerdijk, revalidatiearts, P.R.J.M. Middendorf, orthopedisch chirurg en Van Norel voornoemd.

De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat de deskundige dr. Deutman voornoemd is gevraagd om van verslag en advies te dienen en dat deze in zijn rapport van 1 juli 2005 tot de conclusie is gekomen, dat de diagnose een discusdegeneratie op het niveau L3-4 is, dat het Uwv de daaruit voortvloeiende beperkingen in het algemeen juist heeft ingeschat en dat appellante in staat moet worden geacht de haar voorgehouden functies te vervullen. De rechtbank heeft het rapport van de deskundige voldoende gemotiveerd geacht en geoordeeld dat er geen reden bestaat om diens oordeel niet te volgen. Ook de arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit heeft de rechtbank onderschreven.

Namens appellante zijn in hoger beroep voornamelijk de eerder aangevoerde grieven herhaald.

De Raad oordeelt als volgt.

De Raad kan hetgeen de rechtbank heeft overwogen en beslist onderschrijven. Volgens vaste rechtspraak dient het oordeel van een door de rechter ingeschakelde onafhankelijke deskundige in beginsel te worden gevolgd, tenzij er sprake is van bijzondere omstandigheden. Zo het gegeven dat appellante in oktober 2005 een operatie heeft ondergaan als zodanig zou moeten gelden, merkt de Raad op, dat dr. Deutman voornoemd in verband daarmee nader om zijn oordeel is gevraagd. Deze heeft na bestudering van het dossier en met name het operatieverslag van Van Norel voornoemd als zijn mening uitgesproken, dat het enkele feit dat appellant al op de opnamelijst voor bedoelde operatie stond geen aanleiding geeft om de belastbaarheid op de datum in geding – 19 januari 2004 – anders te beoordelen. De Raad ziet geen reden om diens oordeel op dit punt niet te volgen en acht ook overigens de medische grondslag van het bestreden besluit voldoende deugdelijk.

Met betrekking tot het arbeidskundige deel van de schatting is de Raad van oordeel dat er, gelet op de aanwezige arbeidskundige rapporten, geen reden is om aan te nemen dat appellante de geselecteerde functies niet zou kunnen vervullen. Er is, zo valt uit bedoelde rapporten af te leiden, in de functies steeds sprake van voldoende mogelijkheid tot afwisselen van houding en ook ten aanzien van andere aspecten, zoals torderen, knielen/ hurken en het boven schouder actief zijn, is, naar overtuiging van de Raad, geen sprake van een onaanvaardbare belasting van de rug of de wervelkolom.

Het voorgaande betekent, dat het hoger beroep niet slaagt en de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

Voor een veroordeling van een partij in de proceskosten ziet de Raad geen aanleiding.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door D.J. van der Vos als voorzitter en R.C. Stam en J. Riphagen als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van W.R. de Vries als griffier, in het openbaar uitgesproken op 11 januari 2008.

(get.) D.J. van der Vos.

(get.) W.R. de Vries.

MK