Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BC2378

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
08-01-2008
Datum publicatie
22-01-2008
Zaaknummer
06-6801 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking en terugvordering bijstandsuitkering. Onvoldoende inlichtingen over de woonsituatie.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

06/6801 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 9 november 2006, 06/3566 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen

appellant

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Nijmegen (hierna: College)

Datum uitspraak: 8 januari 2008

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. L.G.U. Compri, advocaat te Nijmegen, hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is ter behandeling aan de orde gesteld op 27 november 2007, waar partijen, met bericht, niet zijn verschenen.

II. OVERWEGINGEN

Op 20 november 2007 is bij de Raad binnengekomen een brief van gelijke datum met bijlagen van appellant. De Raad heeft deze stukken teruggezonden naar appellant, aangezien deze binnen de in artikel 8:58, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bedoelde termijn van 10 dagen voor de zitting zijn ingediend.

De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

Appellant ontving van 14 februari 2005 tot 1 januari 2006 bijstand op grond van de Wet werk en bijstand (WWB).

Na onderzoek naar de rechtmatigheid van de aan appellant verleende uitkering, heeft het College, bij besluit van 6 maart 2006, de bijstand van appellant herzien (lees: ingetrokken) over de periode van 16 maart 2005 tot 1 januari 2006 en de over deze periode gemaakte kosten van bijstand tot een bedrag van € 8.565,39 van hem teruggevorderd.

Bij besluit van 26 juni 2006 heeft het College het bezwaar tegen het besluit van 6 maart 2006 ongegrond verklaard. Aan de besluitvorming ligt ten grondslag dat appellant onvoldoende inlichtingen over zijn woonsituatie heeft verstrekt waardoor het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 26 juni 2006 ongegrond verklaard.

Appellant heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen deze uitspraak gekeerd.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

Naar vaste rechtspraak van de Raad dient de vraag waar iemand zijn woonadres heeft te worden beantwoord aan de hand van concrete feiten en omstandigheden. De belanghebbende is verplicht ter zake juiste en volledige informatie te verstrekken, aangezien dat gegeven van essentieel belang is voor de verlening van bijstand.

Niet is in geschil dat appellant in de te beoordelen periode niet woonachtig is geweest op het door hem opgegeven adres [adres]. Vaststaat dat appellant dit niet heeft gemeld aan het College.

Het vorenstaande leidt de Raad tot de conclusie dat appellant onjuiste dan wel onvolledige gegevens heeft verstrekt omtrent zijn feitelijke woonadres. Daarmee is hij tekortgeschoten in de nakoming van de ingevolge artikel 17, eerste lid, van de WWB op hem rustende inlichtingenverplichting. Als gevolg van de schending van de inlichtingenverplichting kan niet worden vastgesteld of appellant ten tijde hier van belang in bijstandbehoevende omstandigheden verkeerde. Het College was derhalve bevoegd om met toepassing van artikel 54, derde lid, aanhef en onder a, van de WWB over te gaan tot intrekking van de bijstand met ingang van 16 maart 2005. Het College heeft gehandeld in overeenstemming met het ter zake van intrekking gehanteerde, door de Raad niet onredelijk geachte beleid. In hetgeen door appellant is aangevoerd ziet de Raad geen grond voor het oordeel dat het College, met overeenkomstige toepassing van artikel 4:84 (slot) van de Awb, van het beleid had moeten afwijken.

Met het voorgaande is tevens gegeven dat over de periode van 16 maart 2005 tot 1 januari 2006 is voldaan aan de voorwaarden voor terugvordering met toepassing van artikel 58, eerste lid, aanhef en onder a, van de WWB. Het College was dan ook bevoegd om de kosten van bijstand over deze periode terug te vorderen. Het College heeft gehandeld in overeenstemming met het ter zake van terugvordering gehanteerde, door de Raad niet onredelijk geachte beleid. In hetgeen appellant heeft aangevoerd ziet de Raad geen bijzondere omstandigheden op grond waarvan het College, met overeenkomstige toepassing van artikel 4:84 (slot) van de Awb, van het beleid had moeten afwijken.

In situaties als deze waar het College tot de slotsom komt dat belanghebbende niet woonachtig is op het opgegeven adres, ligt het niet op de weg van het College om vervolgens te onderzoeken of belanghebbende mogelijk elders in de gemeente woonplaats heeft. Hetgeen appellant ter zake heeft aangevoerd kan dan ook niet tot een ander oordeel leiden.

De aangevallen uitspraak komt voor bevestiging in aanmerking.

De Raad ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak

Deze uitspraak is gedaan door C. van Viegen als voorzitter en R.H.M. Roelofs en L.H. Waller als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van R.L. Rijnen als griffier, uitgesproken in het openbaar op 8 januari 2008.

(get.) C. van Viegen.

(get.) R.L. Rijnen.

IJ070108