Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BC2361

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
11-01-2008
Datum publicatie
22-01-2008
Zaaknummer
07-374 WSF
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Latere besluiten waarin de verschuldigdheid van hoofdsom wordt genoemd zijn in beginsel niet op rechtsgevolg gericht omdat zij in zoverre alleen een herhaling vormen van een eerder besluit. Niet-ontvankelijkheid.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

07/374 WSF

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

de hoofddirectie van de Informatie Beheer Groep (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 5 januari 2007, 06/44 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

[Betrokkene]

en

appellante.

Datum uitspraak: 11 januari 2008

I. PROCESVERLOOP

Appellante heeft hoger beroep ingesteld.

Betrokkene heeft geen verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 30 november 2007. Appellante was vertegenwoordigd door drs. P.M.S. Slagter. Betrokkene is niet verschenen.

II. OVERWEGINGEN

Bij besluit van 7 juli 2005 heeft appellante de vordering wegens meerinkomen over 2002 vastgesteld. Bij Bericht Terugbetalen 2005 van 6 oktober 2005 heeft appellante aan betrokkene mededeling gedaan over de hoogte van haar schuld per 1 oktober 2005, het rentepercentage en het aflossingsbedrag per 1 januari 2006. In het daartegen gemaakte bezwaar heeft betrokkene de juistheid van de vordering wegens meerinkomen over 2002 bestreden. Bij besluit van 25 november 2005 heeft appellante het bezwaar niet-ontvankelijk verklaard. Daartoe is overwogen dat in eerdere Berichten reeds is beslist dat aan betrokkene een rentedragende lening is toegekend danwel dat haar schuld is omgezet in een rentedragende lening. Door Bericht Terugbetalen 2005 van 6 oktober 2005 is daarin geen verandering opgetreden, zodat dit Bericht in zoverre niet is gericht op enig rechtsgevolg. Wat betreft de rentedragende lening is dus geen sprake van een besluit als bedoeld in artikel 1:3 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep gegrond verklaard en het bestreden besluit vernietigd. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat het Bericht Terugbetalen 2005 van 6 oktober 2005 zelfstandige rechtsgevolgen in het leven roept, nu bij dit Bericht een rentepercentage is vastgesteld en een aflossingsbedrag per 1 januari 2006 is bepaald. Alleen al daarom dient het Bericht te worden aangemerkt als een besluit in de zin van artikel 1:3 van de Awb en heeft appellante bij het bestreden besluit ten onrechte het bezwaar van betrokkene niet-ontvankelijk verklaard.

In hoger beroep heeft appellante aangevoerd dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat sprake is van een besluit, nu ten aanzien van de bezwaren van betrokkene bij het Bericht Terugbetalen 2005 van 6 oktober 2005 geen beslissing is genomen en het Bericht in die zin dus geen besluit is.

De Raad is van oordeel dat het hoger beroep slaagt.

Zoals de Raad reeds eerder heeft overwogen (onder andere in zijn uitspraken van 20 februari 2004, LJN AO4315 en van 1 november 2007, LJN BB8069) zijn latere besluiten waarin de verschuldigdheid van die hoofdsom wordt genoemd in beginsel niet op rechtsgevolg gericht omdat zij in zoverre alleen een herhaling vormen van een eerder besluit. Ook het bericht van 6 oktober 2005 - voorzover dit bericht ziet op de verschuldigdheid van de hoofdsom – bevat niet meer dan een herhaling van het besluit van 7 juli 2005.

Het Bericht Terugbetalen 2005 van 6 oktober 2005 is mitsdien wat betreft de verschuldigdheid van de hoofdsom niet gericht op rechtsgevolg.

De rechtbank heeft het bestreden besluit, waarbij het bezwaar van betrokkene niet-ontvankelijk is verklaard, naar het oordeel van de Raad dan ook ten onrechte vernietigd.

De aangevallen uitspraak dient derhalve te worden vernietigd en het beroep dient (alsnog) ongegrond te worden verklaard.

De Raad ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door J. Janssen als voorzitter en J. Brand en J.P.M. Zeijen als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M.C.T.M. Sonderegger als griffier, uitgesproken in het openbaar op 11 januari 2008.

(get) J. Janssen.

(get) M.C.T.M. Sonderegger.

HS