Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BC2308

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
10-01-2008
Datum publicatie
22-01-2008
Zaaknummer
06-3596 AW
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBZUT:2006:AZ6912, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Negatieve beoordeling aan de hand van concrete feiten in rechte aannemelijk gemaakt? Ongeschiktheidsontslag terecht?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
ABkort 2008/91
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

06/3596 AW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Zutphen van 10 mei 2006, 05/1144 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

[betrokkene], (hierna: betrokkene)

en

appellant

Datum uitspraak: 10 januari 2008

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Betrokkene heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 december 2007. Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. R.H.A. Nathans, werkzaam bij het ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties. Betrokkene is verschenen met bijstand van mr. H.J. Weekers, werkzaam bij ARAG Rechtsbijstand.

II. OVERWEGINGEN

1. Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting gaat de Raad uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Betrokkene was laatstelijk sedert 1 maart 2001 werkzaam als medewerker bijzondere transporten en bewaring bij de dienst [naam dienst]. In augustus 2001 is hij betrokken geweest bij een verkeersincident (bijna-ongeval). Hem is toen een tijdelijk rijverbod opgelegd en een rijvaardigheidstest afgenomen, waarvan het resultaat onvoldoende bleek te zijn. Van november 2001 tot maart 2002 heeft betrokkene wegens ziekte zijn werkzaamheden niet kunnen verrichten. Na terugkeer is hij geleidelijk gere-integreerd, de eerste maanden in ander werk, en heeft hij twee rijvaardigheidstrainingen en een assertiviteitscursus gevolgd. In de tweede helft van 2002 zijn bij de dienstleiding klachten van collega's binnengekomen over betrokkene, vooral over zijn verkeersgedrag, zijn gebrekkige administratieve vaardigheden, zijn opvliegende karakter en het niet naleven van veiligheidsvoorschriften bij het vervoer van wapens en munitie. Begin 2003 hebben, op initiatief van betrokkene, onder meer één-op-één-gesprekken met de collega's plaatsgevonden, in het bijzijn van een leidinggevende. Nadat was gebleken dat betrokkene in feite niet of nauwelijks meer achter het stuur zat, heeft de dienstleiding de opdracht gegeven dat hij zijn chauffeurswerkzaamheden weer volledig diende uit te oefenen. Meerdere collega's hebben geweigerd hieraan mee te werken, omdat zij zich met betrokkene niet veilig voelden en het vertrouwen in hem hadden verloren. Als gevolg van dit conflict is betrokkene op 6 juni 2003 uitgevallen. Nadien heeft hij de eigen functie niet meer uitgeoefend.

1.2. In november 2003 is een beoordeling opgemaakt van het functioneren van betrokkene gedurende de periode van 1 oktober 2001 tot 31 mei 2003. Daarbij is de functievervulling in haar geheel als slecht (waarderingscode A) aangemerkt en is aangegeven dat pogingen om betrokkene zich naar een voldoende niveau te laten ontwikkelen geen resultaat hebben gehad. Als te nemen beheersbeslissing is geadviseerd een ontslagprocedure in gang te zetten. Deze beoordeling is op 12 februari 2004 ongewijzigd vastgesteld.

1.3. Bij besluit van 12 januari 2005 is aan betrokkene met toepassing van artikel 94, eerste lid, aanhef en onder f (inmiddels g), van het Besluit algemene rechtspositie politie (Barp) met ingang van 1 maart 2005 eervol ontslag verleend wegens onbekwaamheid of ongeschiktheid voor de functie anders dan op grond van ziels- of lichaamsgebreken.

1.4. Bij het bestreden besluit van 7 juli 2005 heeft appellant, na bezwaar, het beoordelings- en het ontslagbesluit gehandhaafd.

1.5. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van betrokkene gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd en appellant opgedragen een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen. Voorts heeft de rechtbank bepalingen gegeven inzake proceskosten en griffierecht.

2. Naar aanleiding van hetgeen in hoger beroep is aangevoerd, overweegt de Raad als volgt.

2.1. Volgens vaste jurisprudentie van de Raad (CRvB 5 november 1998, LJN ZB7954 en TAR 1998, 191) is de rechterlijke toetsing van de inhoud van een beoordeling beperkt tot de vraag of gezegd moet worden dat de beoordeling op onvoldoende gronden berust. Daarbij geldt als uitgangspunt dat in geval van negatieve oordelen het betrokken bestuursorgaan aan de hand van concrete feiten in rechte aannemelijk moet maken dat die negatieve waardering niet op onvoldoende gronden berust.

2.2. Met betrekking tot een ongeschiktheidsontslag zoals hier aan de orde geldt voorts als vaste jurisprudentie dat de ongeschiktheid - zich uitend in het ontbreken van eigen-schappen, mentaliteit en instelling die voor het op goede wijze vervullen van de functie vereist zijn - moet worden aangetoond aan de hand van concrete gedragingen van de ambtenaar en dat van ontslag in het algemeen niet eerder sprake zal kunnen zijn dan nadat de ambtenaar door het bevoegd gezag op zijn functioneren of gedrag is aangesproken en in de gelegenheid is gesteld dit te verbeteren (CRvB 6 januari 2005, LJN AS2575).

2.3. Naar het oordeel van de Raad was er vanaf omstreeks oktober 2001 voldoende objectieve grond aanwezig om te twijfelen aan de geschiktheid van betrokkene voor zijn functie. Ter zitting is naar voren gekomen dat een leidinggevende een dag met betrokkene is meegereden en toen reeds aanzienlijke tekortkomingen heeft geconstateerd. Daarna heeft het verkeersincident plaatsgevonden, waarbij alleen dankzij doortastend optreden van de bijrijder van betrokkene een ernstig ongeval kon worden voorkomen. Mede naar aanleiding daarvan zijn spanningen in de verhouding met collega's aan het licht getreden, die in belangrijke mate hun grond vonden in het vaak onberekenbare of geëmotioneerde optreden van betrokkene.

2.4. Hoewel het voorgaande niet eerder heeft geleid tot het opmaken van een formele beoordeling, is de Raad, anders dan de rechtbank, van oordeel dat appellant betrokkene in voldoende mate met deze tekortkomingen heeft geconfronteerd en hem duidelijk heeft gemaakt dat hij zijn functioneren dringend moest verbeteren. Appellant heeft ook een concreet verbetertraject opgezet, in de vorm van een tweetal rijvaardigheidstrainingen, een assertiviteitscursus en initiatieven om de verhouding met de collega's weer op peil te brengen. In aanmerking genomen dat betrokkene zelf prijs stelde op één-op-één-gesprekken met de collega's, kan niet worden staande gehouden dat appellant hem hierbij onvoldoende adequate hulp en begeleiding heeft geboden.

2.5. Waar het erom gaat of dit verbetertraject voldoende vruchten heeft afgeworpen, kan de Raad evenwel de rechtbank op hoofdlijnen volgen. Ook de Raad moet vaststellen dat appellant vrijwel uitsluitend is afgegaan op het negatieve oordeel van de collega's en weinig of niets heeft ondernomen om dit oordeel te objectiveren en op juistheid te toetsen. Dit klemt in het bijzonder omdat het appellant bekend was dat de verhouding tussen betrokkene en zijn collega's ernstig was verstoord. In hoeverre daarbij, zoals de rechtbank heeft aangenomen, de veronderstelde epileptische aanleg van betrokkene een rol heeft gespeeld, kan in het midden blijven. De stukken laten zien dat de collega's, hoe dan ook, een zodanige weerstand tegen de persoon van betrokkene hadden ontwikkeld dat van hen geen objectief oordeel over diens prestaties meer kon worden verwacht. Daarbij is onmiskenbaar sprake geweest van een zekere groepsdynamiek, zodat ook aan de eensluidendheid van de opvattingen van de collega's geen doorslaggevende betekenis kon worden toegekend. Dat betrokkene zich niet met kracht van argumenten tegen de aantijgingen van de collega's heeft verzet, kan het achterwege blijven van een objectief onderzoek evenmin rechtvaardigen.

2.6. Het vorenstaande betekent dat het negatieve (eind)oordeel over het functioneren van betrokkene in de beoordeling, waarop ook het ontslag is gebaseerd, onvoldoende steun vindt in concrete en objectief vastgestelde feiten en omstandigheden. De rechtbank heeft het bestreden besluit dus terecht vernietigd. Het hoger beroep treft geen doel en de aangevallen uitspraak komt voor bevestiging in aanmerking.

3. De Raad acht termen aanwezig om appellant met toepassing van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht te veroordelen tot vergoeding van een bedrag groot

€ 644,- aan kosten wegens aan betrokkene in hoger beroep verleende rechtsbijstand, alsmede tot een bedrag groot € 37,24 aan reiskosten in hoger beroep, in totaal derhalve

€ 681,24.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak;

Veroordeelt appellant in de proceskosten van betrokkene tot een bedrag van € 681,24, te betalen door de Staat der Nederlanden;

Bepaalt dat van de Staat der Nederlanden met toepassing van artikel 22, derde lid, van de Beroepswet een griffierecht van € 428,- wordt geheven.

Deze uitspraak is gedaan door J.Th. Wolleswinkel als voorzitter en R. Kooper en A.A.M. Mollee als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van K. Moaddine als griffier, uitgesproken in het openbaar op 10 januari 2008.

(get.) J.Th. Wolleswinkel.

(get.) K. Moaddine.

HD

17.12