Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BC2306

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
10-01-2008
Datum publicatie
22-01-2008
Zaaknummer
06-4052 AW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Korting op wachtgeld wegens inkomsten. Terugvordering. Inkomen gemeld? Verliescompensatie? Aantal gewerkte uren van belang?

Wetsverwijzingen
Algemeen Rijksambtenarenreglement 99
Rijkswachtgeldbesluit 1959 8
Rijkswachtgeldbesluit 1959 9
Rijkswachtgeldbesluit 1959 9
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
TAR 2008/95
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

06/4052 AW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 24 mei 2005, 04/5008 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Minister van Verkeer en Waterstaat (hierna: minister)

Datum uitspraak: 10 januari 2008

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

De minister heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 8 november 2007. Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door drs. M.H.M. Smeets, belastingadviseur te Rotterdam. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. C.H.M.J. Arets, werkzaam bij Loyalis Maatwerkadministraties B.V.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Appellant is met ingang van 1 augustus 1998 met toepassing van artikel 99 van het Algemeen Rijksambtenarenreglement eervol ontslagen uit zijn functie van [naam functie] bij het ministerie van Verkeer en Waterstaat. Daarbij is een regeling getroffen, die onder meer inhield dat hij een wachtgeld op de voet van het Rijkswachtgeldbesluit 1959 (hierna: RWB) zal ontvangen, waarbij in afwijking van artikel 8 van het RWB de inkomsten uit arbeid of bedrijf zullen worden gekort voor zover die inkomsten, vermeerderd met het wachtgeld, 120% van de laatstgenoten bezoldiging overstijgen.

1.2. In september 1998 heeft appellant schriftelijk meegedeeld dat hij activiteiten verricht in zijn eigen besloten vennootschap [naam B.V.]. Op 8 juli 2001 heeft appellant opgave gedaan van zijn jaarinkomsten over het jaar 2000 en op 24 juli 2002 over het jaar 2001. In december 2002 heeft appellant gemeld dat zijn BV over 2002 vermoedelijk een verlies zal lijden van circa € 30.000,- welk verlies hij wenst te compenseren met de winst van voorgaande boekjaren.

2. Naar aanleiding van in februari 2004 verkregen informatie van de belastingdienst omtrent de inkomsten van appellant over de jaren 1998 tot en met 2002, is bij besluit van 18 maart 2004 over de jaren 1999, 2000 en 2001 € 70.337,98 (bruto) teveel betaald wachtgeld van appellant teruggevorderd. Na bezwaar heeft de minister bij het thans bestreden besluit van 14 oktober 2004 afgezien van de terugvordering over 1999, het teruggevorderde bedrag over het jaar 2000 vastgesteld op € 140,32 en voor het jaar 2001 op € 32.097,21.

3. De rechtbank heeft het beroep van appellant tegen dit besluit bij de aangevallen uitspraak ongegrond verklaard. De rechtbank heeft overwogen dat de minister, ondanks het feit dat appellant als directeur uit zijn BV een redelijk salaris ontving, bij de anticumulatie terecht de niet uitgekeerde netto winst van de vennootschap met het wachtgeld heeft verrekend, omdat appellant door die winst is verrijkt. De rechtbank heeft voorts geoordeeld dat het fiscale carry-forwardsysteem niet past bij de in het RWB voorgeschreven verrekening van inkomsten per maand.

4. Naar aanleiding van hetgeen namens partijen in hoger beroep is aangevoerd overweegt de Raad het volgende.

4.1. Volgens vaste jurisprudentie van de Raad (CRvB 24 februari 2000, LJN AA5418, TAR 2000, 50) is een bestuursorgaan op grond van het algemeen rechtsbeginsel, dat hetgeen onverschuldigd is betaald kan worden teruggevorderd, bevoegd om tot terugvordering van het teveel betaalde wachtgeld over te gaan, tenzij andere algemene rechtsbeginselen zich daartegen verzetten. In een situatie waarin de (gewezen) ambtenaar wist of redelijkerwijs had kunnen weten dat hij te veel ontving, kan een bestuursorgaan in beginsel hetgeen aan betrokkene onverschuldigd is betaald gedurende twee jaren na de dag van uitbetaling terugvorderen. Deze termijn kan tot vijf jaren worden verlengd indien de gemaakte fout door toedoen van betrokkene is ontstaan.

4.2. Uit de gedingstukken blijkt dat appellant op 8 juli 2001 opgave heeft gedaan van zijn inkomsten over het jaar 2000. Daarbij heeft hij bij de vraag naar ‘uw winst uit eigen bedrijf’ ingevuld: niet van toepassing. Die opgave heeft de minister geen aanleiding gegeven daarover nadere vragen te stellen. Nu de minister na ontvangst van die opgave eerst bij besluit van 18 maart 2004 tot terugvordering van wachtgeld is overgegaan is de Raad van oordeel dat de minister daarbij de hier toepasselijke terugvorderingstermijn van twee jaar heeft overschreden. De ter zitting betrokken stelling dat de terugvordering zou berusten op een toedoen van appellant, heeft de minister niet eerder betrokken en de gedingstukken bieden voor dat standpunt geen aanknopingspunt. De aangevallen uitspraak en het bestreden besluit kunnen in zoverre geen stand houden.

4.3. Op grond van artikel 8 van het RWB worden de inkomsten die de wachtgeld-gerechtigde geniet of gaat genieten uit of in verband met arbeid of bedrijf, verrekend met het wachtgeld over de maand waarop die inkomsten betrekking hebben of geacht kunnen worden betrekking te hebben. Volgens artikel 9, tweede lid, van het RWB kan, indien de aard van de werkzaamheden of van de inkomsten meebrengt dat de inkomsten over een langere periode moeten worden berekend, de verrekening geschieden over die langere periode. Naar vaste jurisprudentie vindt verrekening van de ontslaguitkering met inkomsten uit bedrijf plaats over de periode van een jaar.

De Raad merkt op dat de formulering van de artikelen 8 en 9 van het RWB erop wijst dat negatieve inkomsten niet leiden tot verrekening met het wachtgeld.

4.4. Blijkens het bestreden besluit hanteert de minister bij de verrekening van inkomsten van een eigenaar van een BV die tevens in die BV werkzaam is, de bestendige gedragslijn dat zowel het door de BV aan de wachtgeldgerechtigde uitgekeerde loon, als het aan hem als aandeelhouder in de BV toekomende aandeel in de winst bij de verrekening wordt betrokken. Reden voor deze gedragslijn is volgens de minister dat de winst mede afhankelijk is van de verrichte arbeid van de wachtgeldgerechtigde en dat deze vaak bevoegd is de winst al dan niet te laten uitkeren.

4.5. De Raad acht deze wijze van uitvoering van de artikelen 8 en 9 van het RWB niet onjuist. Volgens vaste jurisprudentie kan naast salaris of loon ook de winst van een vennootschap waarvan een belanghebbende (mede)aandeelhouder of eigenaar is, worden betrokken bij de bepaling van de inkomsten uit of in verband met bedrijf die voor verrekening met de uitkering in aanmerking komen. Doel en strekking van de anticumulatiebepalingen brengen dat met zich. Het gaat daarbij om gevallen waarin de belanghebbende voor de vennootschap arbeid heeft verricht en door aan die arbeid toe te rekenen netto winst direct of indirect gebaat is.

4.6. De Raad is met de minister van oordeel dat de door de BV in 2001 gegenereerde winst na belasting van € 36.001,56, uitsluitend door de arbeid van appellant als interim-manager is gegenereerd en dat appellant indirect, namelijk in zijn hoedanigheid van enig aandeelhouder van zijn BV, door die netto winst is gebaat. De Raad ziet niet in waarom dat anders zou liggen nu appellant in 2001 uit zijn BV een door de fiscus aanvaard, gebruikelijk loon als bedoeld in artikel 12a van de Wet op de loonbelasting 1964 heeft ontvangen.

4.7. Dat in het verleden uitvoeringsorganen bij de toepassing van de anticumulatie-bepalingen als regel het oordeel van de fiscale autoriteiten volgden en aldus fiscaal aanvaarde winstreservering respecteerden en soms zelfs carry back van geleden verliezen toelieten en slechts onder bijzondere omstandigheden van de fiscaal aanvaarde gegevens afweken, betekent niet dat de minister daaraan thans gebonden is. Appellant heeft geen rechtsregel kunnen aanwijzen die voorschrijft dat de minister bij de toepassing van anticumulatiebepalingen slechts als voor verrekening vatbare inkomsten mag aanmerken het inkomen zoals dat door de fiscus blijkens de aanslag in de inkomstenbelasting is vastgesteld.

4.8. Het gegeven dat de BV in 2002 verlies heeft geleden, omdat de salariskosten van appellant niet uit de omzet over 2002 konden worden betaald, noopt de minister evenmin tot een andere benadering. Dat gegeven heeft er toe geleid dat er over 2002 geen anticumulatie heeft plaatsgevonden; gezien het verrekeningssysteem per jaar behoeft het niet tot ongedaanmaking van de anticumulatie over 2001 te leiden.

4.9. De Raad merkt ten slotte op dat in een systeem waarin inkomsten met het wachtgeld worden verrekend geen betekenis toekomt aan het aantal gewerkte uren waarmee die inkomsten zijn verworven. De vermelding dienaangaande in het bestreden besluit, die onmiddellijk bij het verweerschrift is gecorrigeerd, beschouwt de Raad met de minister als een kennelijke vergissing die te maken heeft met het gegeven dat in de sinds 2001 voor ambtenaren toepasselijke Werkloosheidswet het recht op uitkering eindigt naar rato van het aantal arbeidsuren dat de werknemer weer aan het werk is.

5. Uit het vorenstaande volgt dat het beroep van appellant slaagt voor zover het de terugvordering over 2000 betreft. De aangevallen uitspraak en het bestreden besluit kunnen in zoverre niet in stand blijven en dienen te worden vernietigd. Voor het overige slaagt het hoger beroep van appellant niet en dient de aangevallen uitspraak te worden bevestigd.

6. De Raad ziet aanleiding de minister met toepassing van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht overeenkomstig het daartoe tijdig gedane verzoek te veroordelen in de proceskosten van appellant in bezwaar, en voorts in beroep en in hoger beroep tot een bedrag van telkens € 644,-, derhalve € 1.932,- aan kosten van rechtskundige bijstand.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak voor zover betrekking hebbend op de terugvordering over het jaar 2000;

Vernietigt het besluit van 14 oktober 2004 in zoverre;

Herroept in zoverre het besluit van 18 maart 2004;

Bevestigt de aangevallen uitspraak voor het overige;

Veroordeelt de minister in de proceskosten van appellant ten bedrage van € 1.932,- aan kosten van rechtskundige bijstand, te betalen door de Staat der Nederlanden;

Bepaalt dat de Staat der Nederlanden aan appellant het in eerste aanleg en in hoger beroep betaalde griffierecht ten bedrage van in totaal € 142,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door G.P.A.M. Garvelink-Jonkers als voorzitter en G.L.M.J. Stevens en T. van Peijpe als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van K. Moaddine als griffier, uitgesproken in het openbaar op 10 januari 2008.

(get.) G.P.A.M. Garvelink-Jonkers.

(get.) K. Moaddine.

HD

27.12

Q