Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BC2304

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
10-01-2008
Datum publicatie
22-01-2008
Zaaknummer
06-4784 AW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Ontslag verleend wegens onbekwaamheid/ongeschiktheid voor de vervulling van zijn betrekking anders dan op grond van ziekten of gebreken. Plichtsverzuim door afwijken van dienstplanning en mutaties in strijd met waarheid? Toerekenbaarheid.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

06/4784 AW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Roermond, (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Roermond van 5 juli 2006, 05/1619, (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

[betrokkene], (hierna: betrokkene),

en

appellant

Datum uitspraak: 10 januari 2008

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Betrokkene heeft geen verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 december 2007. Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. V.L.S. van Cruijningen, advocaat te ’s-Hertogenbosch, en drs. J.W.M. Koppens, werkzaam bij de gemeente Roermond. Betrokkene is in persoon verschenen, bijgestaan door mr. T.J.J. Dierichs, advocaat te

Herkenbosch.

II. OVERWEGINGEN

1. Voor een uitgebreidere weergave van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden wordt verwezen naar de aangevallen uitspraak. De Raad volstaat met het volgende.

1.1. Betrokkene was sedert 1 december 1998 in dienst van de gemeente Roermond aangesteld als stadswacht. Nadat betrokkene het voornemen daartoe was kenbaar gemaakt en hij ter zake was gehoord, heeft appellant bij besluit van 30 maart 2005 primair betrokkene op grond van artikel 8:13 van de Regeling Arbeidsvoorwaarden Gemeente Roermond (RAGR) de disciplinaire straf van ontslag opgelegd met ingang van 4 april 2005 en subsidiair hem op grond van artikel 8:6, eerste lid, van de RAGR met ingang van dezelfde datum ontslag verleend wegens onbekwaamheid/ongeschiktheid voor de vervulling van zijn betrekking anders dan op grond van ziekten of gebreken. Bij het bestreden besluit van 29 augustus 2005 heeft appellant, na bezwaar, dit ontslagbesluit gehandhaafd.

1.2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaard, dit besluit vernietigd en het besluit van 30 maart 2005 herroepen, voor zover deze besluiten betrekking hadden op het disciplinair ontslag. Voor het overige verklaarde de rechtbank het beroep ongegrond.

1.3. Het hoger beroep van appellant richt zich uitsluitend tegen dat gedeelte van de aangevallen uitspraak waarbij het beroep gegrond is verklaard, de rechtbank zelf in de zaak heeft voorzien door het primaire besluit deels te herroepen en bepalingen zijn gegeven terzake van de proceskosten en het griffierecht. Daarbij heeft appellant - samengevat - aangevoerd dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat niet uit het dossier blijkt dat betrokkene op 22 september 2004 een valse verklaring heeft afgelegd. Ook bestrijdt appellant de opvatting van de rechtbank dat het ontbreken van initiatieven om betrokkene te helpen bij problemen op de werkvloer en de omstandigheid dat door het plichtsverzuim, nu dit voor het publiek niet waarneembaar was, het aanzien van de dienst Stadstoezicht niet zou zijn geschaad, zodanig afbreuk doen aan het verwijtbare karakter van het plichtsverzuim dat de straf van ontslag als onevenredig althans onvoldoende onderbouwd moet worden aangemerkt. Het hoger beroep is nadrukkelijk niet gericht tegen dat gedeelte van de uitspraak dat ziet op de subsidiair gehanteerde ontslaggrond. Betrokkene heeft in de aangevallen uitspraak berust.

2. Naar aanleiding van hetgeen in hoger beroep is aangevoerd overweegt de Raad als volgt.

2.1. Aan betrokkene wordt door appellant in hoofdzaak verweten dat hij op 6 augustus 2004 zowel in de ochtend als in de middag is afgeweken van de dienstplanning en de aan hem voor deze dienst gegeven instructies door op een andere plaats, dan wel in het geheel geen toezicht te houden; en voorts dat betrokkene opzettelijk in strijd met de waarheid drie mutaties heeft opgemaakt over de op 6 augustus 2004 uitgevoerde diensten, met de bedoeling om het afwijken van de dienstplanning te verheimelijken, en dat hij een collega in dit handelen heeft betrokken.

2.2. De Raad is met de rechtbank van oordeel dat het hiervoor weergegeven plichtsverzuim op basis van deugdelijk vastgestelde gegevens, waaronder verklaringen van getuigen, voldoende aannemelijk is geworden. Het door appellant uitgevoerde huishoudelijk onderzoek heeft dit overtuigend aangetoond. Betrokkene heeft in hoger beroep ermee volstaan ter zitting te verklaren dat hij op 6 augustus 2004 wel op de hem opgedragen plaatsen toezicht als stadswacht heeft gehouden en dat de mutaties betreffende de op die dag uitgevoerde diensten correct door hem zijn ingevuld. Met deze enkele ontkenning is het plichtsverzuim niet weerlegd.

2.3. Uit de gedingstukken blijkt dat betrokkene al van meet af aan, derhalve ook in het gesprek op 22 september 2004, ontkend heeft het hem ten laste gelegde plichtsverzuim te hebben begaan. Nu dit plichtsverzuim aannemelijk is geworden volgt daar tevens uit dat betrokkene, toen hij op 22 september 2004 ter verantwoording werd geroepen, niet de waarheid heeft verteld. Appellant heeft dit aangeduid als het afleggen van een valse verklaring en dit eveneens als plichtsverzuim beschouwd en aan de disciplinaire straf ten grondslag gelegd. Ten onrechte heeft de rechtbank ten aanzien hiervan overwogen dat dit plichtsverzuim niet vaststaat, omdat zich onder de gedingstukken geen schriftelijk stuk met een valse verklaring bevindt. De tegen deze overweging ingebrachte grief slaagt derhalve.

2.4. Ten aanzien van de toerekenbaarheid van het vastgestelde plichtsverzuim overweegt de Raad dat op grond van de voorhanden zijnde gegevens niet aannemelijk is geworden dat de desbetreffende gedragingen niet volledig aan betrokkene zijn toe te rekenen.

2.5. Door zijn gedragingen heeft betrokkene zich naar het oordeel van de Raad schuldig gemaakt aan ernstig plichtsverzuim dat de oplegging van de straf van onvoorwaardelijk ontslag rechtvaardigt. De Raad acht daarbij van doorslaggevende betekenis dat het voor het functioneren van een stadswacht, met een toezichthoudende functie op het publiek, noodzakelijk is dat de dienstleiding ervan op aan kan dat de stadswacht zijn toezicht uitoefent daar waar het hem is opgedragen en op die plaatsen dan ook daadwerkelijk aanwezig en bereikbaar is. Niet minder moet erop kunnen worden vertrouwd dat hetgeen een stadswacht tijdens het uitoefenen van zijn taak waarneemt en verricht geheel naar waarheid in de op te stellen mutaties wordt vermeld. De Raad neemt hierbij in aanmerking dat uit de beschikbare stukken blijkt dat appellant reeds geruime tijd voorafgaande aan de gebeurtenis op 6 augustus 2004, zoals de rechtbank in het kader van het ongeschiktheidsontslag ook heeft overwogen, door de dienstleiding op soortgelijk eigenzinnig gedrag als hier aan de orde is aangesproken en ook herhaaldelijk is gewezen op het belang van het na afloop van de dienst opmaken van - correcte - mutaties. Dat zulk handelen afbreuk doet aan het aanzien van de dienst Stadstoezicht acht de Raad niet voor redelijke twijfel vatbaar. De omstandigheid dat het publiek niet kan waarnemen of de betrokkene zijn toezicht houdt in strijd met de hem gegeven instructies is daarbij niet van doorslaggevend belang. Die niet waarneembaarheid geldt overigens in elk geval niet voor het in strijd met die instructies geruime tijd doorbrengen op een bank in het stadspark, zoals zich op 6 augustus 2004 voordeed. Bovendien is - hoe dan ook - de integriteit van de dienst Stadstoezicht in het geding.

2.6. De Raad onderschrijft niet het oordeel van de rechtbank dat betrokkene het plichtsverzuim in verminderde mate kan worden verweten omdat aan hem vanuit de dienst te weinig steun en begeleiding zou zijn geboden. In elk geval zijn er door de leiding regelmatig gesprekken met betrokkene gevoerd omtrent zijn functioneren, waarbij, waar nodig, ook rekening is gehouden met problemen van betrokkene in zijn privésituatie. Ten slotte is niet gesteld of gebleken dat het gedrag van betrokkene op enigerlei wijze samenhangt met een ongeschiktheid wegens ziekte of gebrek.

3. Gelet op het vorenoverwogene moet de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, worden vernietigd.

4. De Raad acht tot slot geen termen aanwezig toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht inzake vergoeding van proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten;

Verklaart het beroep, voor zover dat gericht was tegen de handhaving in bezwaar van het besluit tot oplegging van de straf van onvoorwaardelijk ontslag, ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door J.Th. Wolleswinkel als voorzitter en R. Kooper en A.A.M. Mollee als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van K. Moaddine als griffier, uitgesproken in het openbaar op 10 januari 2008.

(get.) J.Th. Wolleswinkel.

(get.) K. Moaddine.

HD

04.01