Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BC2300

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
10-01-2008
Datum publicatie
22-01-2008
Zaaknummer
06-4970 AW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Nihilstelling wachtgeld tot datum inschrijving als werkzoekende bij CWI. Verwijtbaarheid? Evenredigheid ernst overtreding en sanctie?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
ABkort 2008/92
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

06/4970 AW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Hof van Twente (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Almelo van 11 juli 2006, 05/745 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

[betrokkene], (hierna: betrokkene)

en

appellant

Datum uitspraak: 10 januari 2008

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Betrokkene heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 december 2007. Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door H.A.L. Knoben, werkzaam bij Loyalis Maatwerkadministraties B.V. Betrokkene is, zoals tevoren bericht, niet verschenen.

II. OVERWEGINGEN

1. Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting gaat de Raad uit van de volgende hier van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Betrokkene was werkzaam als medewerker boekhouding/kassier bij de voormalige gemeente Goor.

Met ingang van 1 juni 1999 is haar met toepassing van artikel 8:5 van de Collectieve Arbeidsvoorwaardenregeling en Uitwerkingsovereenkomst (CAR/UWO) ontslag verleend op grond van ongeschiktheid voor de vervulling van haar betrekking wegens ziekte.

1.2. Met ingang van 6 juli 2004 is de eerder aan betrokkene verleende (maximale) uitkering krachtens de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) herzien en nader vastgesteld naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 25 tot 35%.

1.3. In februari 2005 heeft betrokkene aan appellant, als rechtsopvolger van het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Goor, gevraagd haar een ontslag-uitkering toe te kennen.

Bij besluit van 25 februari 2005 heeft appellant haar deze uitkering ingaande 6 juli 2004 toegekend.

Bij op 28 februari 2005 verzonden besluit van 23 februari 2005 heeft appellant de ontslaguitkering van betrokkene over de periode van 6 juli 2004 tot 6 januari 2005 op nihil gesteld omdat zij zich pas op deze laatste datum als werkzoekende bij het CWI had laten inschrijven.

Bij besluit van 25 mei 2005 heeft appellant de bezwaren van betrokkene tegen de besluiten van 23 en 25 februari 2005 ongegrond verklaard. In dat besluit is overwogen dat, anders dan in de eerdere besluiten was vermeld, op betrokkene de wachtgeldregeling van hoofdstuk 10 van de CAR/UWO van toepassing is. De plicht van betrokkene zich als werkzoekende te doen inschrijven bij het CWI is neergelegd in artikel 10:12, tweede lid, van de CAR/UWO. Ingevolge artikel 10:22, eerste lid, aanhef en onder b, van de CAR/UWO kan het wachtgeld geheel of gedeeltelijk vervallen worden verklaard als de betrokkene evengenoemde plicht niet nakomt, tenzij hem hiervan redelijkerwijs geen verwijt kan worden gemaakt.

2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van betrokkene tegen het besluit van 25 mei 2005 gegrond verklaard, dit besluit vernietigd en appellant opgedragen een nieuw besluit op bezwaar te nemen met inachtneming van haar uitspraak, met bij-komende beslissingen inzake vergoeding van proceskosten en griffierecht. De rechtbank kon zich verenigen met de zienswijze van appellant dat betrokkene over de periode van

6 juli 2004 tot 6 januari 2005 verwijtbaar niet was ingeschreven als werkzoekende. Ten aanzien van de vraag of het volledig vervallenverklaren van het wachtgeld over meergenoemde periode evenredig is te achten aan de ernst van de overtreding, was de rechtbank evenwel van oordeel dat het besluit van appellant onzorgvuldig was voorbereid en gebrekkig was gemotiveerd.

3. De Raad overweegt het volgende.

3.1. Appellant heeft in hoger beroep naar voren gebracht dat hij de vaste lijn hanteert dat het wachtgeld vervallen wordt verklaard over de hele periode waarin de betrokkene niet als werkzoekende bij het CWI stond ingeschreven. In die hele periode worden immers kansen gemist op het vinden van ander werk. Alleen in bijzondere gevallen wordt van genoemde lijn afgeweken. Een bijzonder geval dat zo’n afwijking kan rechtvaardigen doet zich hier evenwel volgens appellant niet voor.

3.2. Uit de gedingstukken blijkt dat betrokkene tegen het besluit waarbij haar WAO-uitkering per 6 juli 2004 werd verlaagd, bezwaar heeft gemaakt. Dit bezwaar is in december 2004 ongegrond verklaard. Betrokkene heeft zich hierbij neergelegd en daartegen geen beroep bij de rechtbank ingesteld. Aannemelijk is dat betrokkene pas toen tot het inzicht is gekomen dat zij zich ter beschikking van de arbeidsmarkt diende te stellen. In elk geval heeft zij zich eerst korte tijd na bedoelde ongegrondverklaring als werkzoekende bij het CWI ingeschreven en vervolgens een uitkering in verband met werkloosheid aangevraagd.

3.3. Verder komt uit de gedingstukken naar voren dat betrokkene er al in maart/april 2004 door een arbeidsdeskundige van het Uitvoeringsinstituut werknemersuitkeringen op is gewezen dat voor haar in verband met de verlaging van haar WAO-uitkering de mogelijkheid openstond een werkloosheidsuitkering aan te vragen. Ook in de WAO-beslissing van 14 april 2004 is dit uitdrukkelijk vermeld. Indien betrokkene stoen van die mogelijkheid gebruik had gemaakt, zou zij, naar ter zitting genoegzaam aannemelijk is geworden, erop zijn gewezen dat zij verplicht was zich als werkzoekende bij het CWI in te schrijven. Betrokkene heeft in die tijd echter om haar moverende redenen afgezien van het aanvragen van een uitkering inzake werkloosheid. Dat genoemde arbeidsdeskundige haar heeft geadviseerd geen aanvraag in te dienen omdat dit in haar geval zinloos zou zijn, is gelet op diens verklaring van 18 augustus 2005 niet aannemelijk.

3.4. Gelet op het vorenstaande acht de Raad onvoldoende grond aanwezig voor het oordeel dat de onderhavige vervallenverklaring onevenredig is aan de ernst van het verzuim.

3.5. Hieruit volgt dat het hoger beroep slaagt. De aangevallen uitspraak houdt dus in rechte geen stand en het beroep zal alsnog ongegrond verklaard dienen te worden.

4. De Raad acht tot slot geen termen aanwezig toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht inzake vergoeding van proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door J.Th. Wolleswinkel als voorzitter en R. Kooper en A.A.M. Mollee als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van K. Moaddine als griffier, uitgesproken in het openbaar op 10 januari 2008.

(get.) J.Th. Wolleswinkel.

(get.) K. Moaddine.

HD

04.01