Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BC2293

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
10-01-2008
Datum publicatie
21-01-2008
Zaaknummer
06-5038 AW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Heeft betrokkene geen procesbelang meer bij haar bezwaar tegen het opheffen van haar functie?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
BA 2008/62
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

06/5038 AW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellante], (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 20 juli 2006, 05/8719 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

het College van bestuur van de Technische Universiteit Delft (hierna: college)

Datum uitspraak: 10 januari 2008

I. PROCESVERLOOP

Appellante heeft hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 29 november 2007. Appellante is in persoon verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A. de Hoop, werkzaam bij de Technische Universiteit Delft (hierna: TUD).

II. OVERWEGINGEN

1. Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting gaat de Raad uit van de volgende hier van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Het college heeft appellante bij brief van 13 oktober 2003 het voornemen meegedeeld haar functie van universitair docent bij de afdeling [naam afdeling] op te heffen, als uitvloeisel van de opheffing van die afdeling per 1 oktober 2003. Daarbij is aangegeven dat de herplaatsingstermijn van maximaal 16 maanden per 20 oktober 2003 zou ingaan en dat indien in deze periode geen passende functie zou zijn gevonden, appellante zou worden voorgedragen voor ontslag. Destijds is per abuis verzuimd het besluit tot opheffing van de functie aan appellante bekend te maken. Bij besluit van 19 april 2005 heeft het college alsnog meegedeeld dat haar functie per 20 oktober 2003 is opgeheven. Appellante heeft tegen dit besluit op 25 mei 2005 een bezwaarschrift ingediend.

1.2. Nadat appellante bij brief van 14 juni 2005 het voornemen daartoe was meegedeeld, heeft het college haar bij besluit van 12 juli 2005 met ingang van 12 oktober 2005 ontslag verleend wegens opheffing van haar functie. Appellante heeft tegen dit besluit geen bezwaarschrift ingediend.

1.3. Op 22 september 2005 is appellante door de Centrale commissie voor bezwaarschriften, werknemerszaken en overige zaken, (hierna: commissie) gehoord over haar onder 1.1. vermelde bezwaarschrift. Bij besluit van 8 november 2005 heeft het college, overeenkomstig het advies van de commissie, het bezwaar van appellante niet-ontvankelijk verklaard. Daartoe is, kort gezegd, overwogen dat aangezien appellante geen bezwaarschrift heeft ingediend tegen het ontslagbesluit, zij geen procesbelang meer heeft bij haar bezwaar gericht tegen het opheffen van haar functie. Ook al zou zij slagen in het bezwaar dan nog kan dit het - in rechte vaststaande - ontslag niet tenietdoen.

2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep ongegrond verklaard.

3. In hoger beroep heeft appellante gesteld dat zij door persoonlijke omstandigheden, waarvan het college op de hoogte was, pas kort voor de hoorzitting van de commissie kennis heeft gekregen van het ontslagbesluit. Zij is ervan uitgegaan dat het ontslagbesluit mede aan de orde zou komen tijdens de hoorzitting. Daar is haar pas gebleken dat zij afzonderlijk bezwaar had moeten maken tegen het ontslagbesluit. De commissie heeft haar tijdens een schorsing van de zitting te kennen gegeven dat het geen zin had alsnog bezwaar te maken tegen het ontslagbesluit omdat de daarvoor wettelijk gestelde termijn verstreken was. Appellante heeft conform dit advies gehandeld. Zij heeft ter zitting van de Raad verklaard alsnog een bezwaarschrift te willen indienen, als haar dat nog kan baten. Voorts heeft zij bestreden dat zij geen belang meer heeft bij haar bezwaar tegen het opheffen van de functie.

Het college heeft gemotiveerd verweer gevoerd.

4. In hoger beroep dient de vraag te worden beantwoord of het college en de rechtbank met juistheid hebben geoordeeld dat appellante geen procesbelang meer heeft bij haar bezwaar tegen het opheffen van haar functie.

De Raad beantwoordt deze vraag ontkennend. In lijn met zijn uitspraak van 30 augustus 2007, LJN BB3980, overweegt de Raad dat het belang van appellante bij de beoordeling van de opheffing van haar functie niet is teloor gegaan, ook al zou het uit die opheffing voortvloeiende ontslagbesluit inmiddels, zoals het college heeft gesteld, in rechte vaststaan. Indien het opheffingsbesluit niet houdbaar zou blijken, berust het nadien gegeven ontslag achteraf gezien op een ondeugdelijke basis. Appellante kan alsdan een verzoek indienen om terug te komen van dat ontslagbesluit. Aangezien de beslissing daaromtrent zeker niet op voorhand vast staat, nu immers sprake is van een nieuw feit, heeft appellante haar belang bij de beoordeling van haar bezwaren tegen de opheffing van haar functie behouden.

5. Uit het vorenstaande volgt dat het bestreden besluit en de aangevallen uitspraak niet in stand kunnen blijven. Nu appellante desgevraagd uitdrukkelijk heeft verklaard dat zij in dat geval een nieuwe beslissing op bezwaar van het college wenst en aan de Raad heeft verzocht niet zelf in de zaak te voorzien, zal de Raad volstaan met vernietiging van het bestreden besluit en van de uitspraak waarbij dat besluit ten onrechte in stand is gelaten. Het college zal een nieuwe beslissing moeten nemen op het bezwaar van appellante met inachtneming van hetgeen de Raad heeft overwogen.

6. In het vorenstaande vindt de Raad aanleiding het college op grond van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht te veroordelen in de proceskosten van appellante in eerste aanleg tot een bedrag van € 2,76 aan reiskosten en in hoger beroep tot een bedrag van € 20,08 aan reiskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep gegrond;

Vernietigt het besluit van 8 november 2005;

Bepaalt dat het college een nieuw besluit op bezwaar neemt met inachtneming van deze uitspraak;

Veroordeelt het college in de proceskosten van appellante tot een bedrag van in totaal € 22,84, te betalen door de Technische Universiteit Delft;

Bepaalt dat de Technische Universiteit Delft aan appellante het door haar in eerste aanleg en in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 349,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door G.P.A.M. Garvelink-Jonkers als voorzitter en J.Th. Wolleswinkel en K.J. Kraan als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van E.W.F. Menkveld-Botenga als griffier, uitgesproken in het 10 januari 2008.

(get.) G.P.A.M. Garvelink-Jonkers.

(get.) E.W.F. Menkveld-Botenga.

HD

04.01