Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BC2251

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
10-01-2008
Datum publicatie
22-01-2008
Zaaknummer
06-5059 AW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering materiële en immateriële schadevergoeding. Tegenwerking promotieonderzoek. Schending zorgplicht werkgever? Onrechtmatig handelen door werkgever?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
TAR 2008/97
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

06/5059 AW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 17 juli 2006, 05/4301 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

het College van Bestuur van de Technische Universiteit Delft (hierna: college)

Datum uitspraak: 10 januari 2008

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 29 november 2007. Appellant is, zoals tevoren bericht, niet verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. drs. J. van Leeuwen en prof. dr. S.M. Luthi, beiden werkzaam bij de Technische

Universiteit Delft.

II. OVERWEGINGEN

1. Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting gaat de Raad uit van de volgende hier van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellant is van 1 mei 1993 tot 1 november 1997 op basis van een tijdelijke aanstelling werkzaam geweest als assistent in opleiding bij de sectie [naam sectie] van de Technische Universiteit Delft (hierna: TU Delft). Vanaf laatstgenoemde datum mocht appellant ten behoeve van zijn promotieonderzoek gebruik blijven maken van de faciliteiten van de TU Delft. Tevens bleef hij begeleiding met betrekking tot zijn promotieonderzoek ontvangen. In april 2002 is appellant aan de TU Delft gepromoveerd.

1.2. Bij brief van 11 februari 2004 heeft appellant een klacht ingediend bij het college tegen de sectie [naam sectie]. Volgens appellant heeft deze sectie zijn promotieonderzoek tegengewerkt waardoor hij zowel immateriële als materiële schade heeft geleden. Appellant heeft hierbij het college aansprakelijk gesteld voor de geleden en nog te lijden schade. Bij besluit van 23 december 2004 heeft het college appellants verzoek om schadevergoeding afgewezen. Dit besluit is na bezwaar gehandhaafd bij het bestreden besluit van 21 juli 2005.

2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. Naar aanleiding van hetgeen partijen in hoger beroep naar voren hebben gebracht overweegt de Raad als volgt.

3.1. Appellant heeft aan zijn verzoek om schadevergoeding ten grondslag gelegd dat hij door toedoen van de sectie [naam sectie] van de TU Delft 5,5 jaar later is gepromoveerd dan gepland. Appellant heeft daartoe gesteld dat hij nagenoeg geen begeleiding heeft ontvangen, naar ongeschikte veldwerkgebieden is gestuurd en zinloze opdrachten heeft ontvangen. Appellant heeft voorts gesteld dat hem een ondeugdelijk meetapparaat is verstrekt, dat de door hem ingeleverde teksten werden verslechterd in plaats van verbeterd en dat teksten maanden en soms zelfs meer dan een jaar zijn blijven liggen bij leden van de lezerscommissie. Volgens appellant is hij bij voortduring geestelijk mishandeld door één van zijn begeleiders. Een en ander heeft zowel materiële als immateriële schade veroorzaakt.

3.2. De Raad stelt vast dat het appellant te doen is om schadevergoeding wegens onrechtmatig handelen. Dit beweerdelijk onrechtmatig handelen ziet enerzijds op schending van de zorgplicht van de werkgever (CRvB 22 juni 2000, LJN AB0072, TAR 2000, 112 en JB 2000, 232), anderzijds op aan de werkgever toe te rekenen onrechtmatige daden van zijn ondergeschikte (CRvB 25 oktober 2001, LJN AD6369, TAR 2002, 21 en JB 2001, 326).

De Raad stelt voorts vast dat er vanaf 1 november 1997 geen sprake meer is geweest van een ambtenaarrechtelijke rechtsverhouding tussen appellant en de TU Delft zodat ’s Raads toetsing beperkt is tot eventueel onrechtmatig handelen jegens appellant tot deze datum.

3.3. Naar aanleiding van de door appellant geuite beschuldigingen is door het college een nader intern onderzoek ingesteld. Uit dit onderzoek blijkt volgens het college dat de achtergrond van de onderhavige zaak is gelegen in een fundamenteel verschil van inzicht tussen appellant en zijn begeleiders over de kwaliteit van zijn werk. Appellant voerde steeds aan dat zijn ideeën zo origineel waren dat zij eigenlijk niet door feitelijk onderzoek hoefden te worden onderbouwd. De begeleiders van appellant steunden op zichzelf zijn ideeën, maar waren steeds van mening dat die ideeën ook door degelijk eigen onderzoek moesten worden onderbouwd. De onwil van appellant om de kritiek van zijn begeleiders ter harte te nemen was er de oorzaak van dat de promotie veel langer op zich heeft laten wachten dan gehoopt. Inhoudelijke opmerkingen en wijzigingsvoorstellen van zijn begeleiders werden door appellant niet aanvaard. Aan appellant is deugdelijke meet-apparatuur verstrekt; dat die apparatuur aangepast dient te worden aan het specifieke onderzoek is niet anders dan gebruikelijk. Voor het ter beschikking stellen van nieuw en ander materiaal bestond geen onderzoeksnoodzaak. De veldwerkgebieden waren wel degelijk geschikt. Appellant heeft zich weinig pro-actief opgesteld en door zijn chaotische aard is er materiaal verloren gegaan waaronder een door zijn promotor gecorrigeerde tekst. Van geestelijke mishandeling is geen sprake geweest.

3.4. De Raad is met de rechtbank van oordeel dat het college met voornoemd onderzoek de beschuldigingen van appellant gemotiveerd en onderbouwd heeft weerlegd. Appellant heeft in beroep zelf aangegeven dat hij in bewijsnood verkeert ten aanzien van zijn stellingen. Ook in hoger beroep is hij er niet in geslaagd zijn stellingen van een deugdelijke onderbouwing te voorzien. Appellant heeft derhalve niet aannemelijk kunnen maken dat - vóór 1 november 1997 - jegens hem onrechtmatig is gehandeld. Aangezien niet kan worden vastgesteld dat sprake is geweest van onrechtmatig handelen jegens appellant, is er geen grondslag voor een veroordeling van het college tot vergoeding van de door hem gestelde schade.

4. Uit het vorenstaande volgt dat het hoger beroep niet slaagt en de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

5. De Raad ziet geen aanleiding om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht inzake vergoeding van proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak

Deze uitspraak is gedaan door G.P.A.M. Garvelink-Jonkers als voorzitter en J.Th. Wolleswinkel en K.J. Kraan als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van E.W.F. Menkveld-Botenga als griffier, uitgesproken in het openbaar op 10 januari 2008.

(get.) G.P.A.M. Garvelink-Jonkers.

(get.) E.W.F. Menkveld-Botenga.

HD

07.01