Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BC2248

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
03-01-2008
Datum publicatie
22-01-2008
Zaaknummer
06-5380 AW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Procesbelang? Beëindigd geschil met minister. Principiële uitspraak wetsuitleg in het licht van gelijkheidsbeginsel?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

06/5380 AW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant], (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 14 augustus 2006, 05/6446 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (hierna: minister)

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

De minister heeft een verweerschrift ingediend.

Desgevraagd hebben partijen toestemming gegeven de behandeling ter zitting achterwege te laten. Hierna heeft de Raad het onderzoek gesloten.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellant heeft gesolliciteerd naar de functie van [naam functie] bij het ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap. Bij brief van 21 juni 2005 is appellant van de zijde van de minister bericht dat hij niet is uitgekozen als kandidaat met wie gesprekken worden gevoerd. Bij het bestreden besluit van 11 augustus 2005 heeft de minister het bezwaar van appellant tegen deze weigering om hem als [naam functie] aan te stellen niet-ontvankelijk verklaard op de grond dat daartegen ingevolge artikel 8:4, aanhef en onder d, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) geen beroep en dus ook geen bezwaar open staat.

1.2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het door appellant tegen het bestreden besluit ingestelde beroep ongegrond verklaard, tegen welke uitspraak appellant hoger beroep heeft ingesteld.

1.3. In reactie op het verweer van de minister heeft appellant bij brief van 23 augustus 2007 desgevraagd gesteld dat hij de functie van [naam functie] bij het ministerie niet langer ambieert en dat, wanneer hem die functie zou worden aangeboden, hij van dat aanbod geen gebruik zal maken. In die brief heeft appellant voorts aangegeven dat hij niet voldoet aan de door de Raad geformuleerde criteria om in aanmerking te kunnen komen voor vergoeding van (immateriële) schade.

2. De Raad stelt vast dat geen geschil meer bestaat tussen partijen. Volgens vaste jurisprudentie van de Raad is voor een ontvankelijk (hoger) beroep vereist dat kan worden gewezen op enig direct tot de rechtsstrijd tussen partijen te herleiden (proces)belang bij een uitspraak (CRvB 12 oktober 2006, LJN AZ0627). Dat appellant, los van het inmiddels beëindigde geschil met de minister, een principiële uitspraak wenst te verkrijgen over de uitleg van artikel 8:4, aanhef en onder d, van de Awb in het licht van het gelijkheidsbeginsel, is naar het oordeel van de Raad niet als voldoende procesbelang aan te merken. Ook overigens is van zo’n belang niet gebleken. Het beroep dat appellant in dit verband doet op artikel 13 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten de mens en de fundamentele vrijheden leidt de Raad niet tot een ander oordeel. Dit artikel bezien in samenhang met artikel 6 van datzelfde verdrag veronderstelt evenzeer de aanwezigheid van een geschil. Het vorenstaande betekent dat het hoger beroep van appellant niet-ontvankelijk moet worden verklaard.

3.Voor een proceskostenveroordeling ziet de Raad geen aanleiding.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk.

Deze uitspraak is gedaan door G.P.A.M. Garvelink-Jonkers als voorzitter en R. Kooper en K.J. Kraan als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van P.W.J. Hospel als griffier, uitgesproken in het openbaar op 3 januari 2008.

(get.) G.P.A.M. Garvelink-Jonkers.

(get.) P.W.J. Hospel.

HD

03.01