Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BC2243

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
10-01-2008
Datum publicatie
22-01-2008
Zaaknummer
06-5606 AW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Beëindiging tijdelijke aanstelling. Niet-ontvankelijkverklaring van deel van bezwaar. Normen gehanteerd bij bezuinigingsoperatie redelijk?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

06/5606 AW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant], (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 7 september 2006, 06/580 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

het College van bestuur van de Open Universiteit Nederland (hierna: college)

Datum uitspraak: 10 januari 2008

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 29 november 2007. Appellant is in persoon verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. F.G.M. Sluijsmans en mr. D.P.C.M. Hellegers, beiden werkzaam bij de Open Universiteit Nederland.

II. OVERWEGINGEN

1. Voor een uitgebreidere weergave van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden wordt verwezen naar de aangevallen uitspraak. De Raad volstaat met het volgende.

1.1. Appellant was in de periode van 1 augustus 2001 tot 1 augustus 2003 voor gemiddeld 12 uur per week aangesteld als junior docent bij de [een faculteit ] van de Open Universiteit Nederland, dit met toepassing van artikel 3.7, eerste lid, aanhef en onder b, van de CAO Nederlandse Universiteiten (CAO NU).

Voor de periode van 1 augustus 2003 tot 1 augustus 2004 is appellant eenzelfde aanstelling verleend, toen echter voor gemiddeld 14 uur per week.

Vervolgens is appellant bij besluit van 11 juni 2004 met toepassing van evengenoemde bepaling voor de periode van 1 augustus 2004 tot 1 augustus 2006 aangesteld als docent bij voormelde faculteit, en wel voor de periode van 1 augustus 2004 tot 1 augustus 2005 voor gemiddeld 17 uur per week en voor de periode tot 1 augustus 2006 voor gemiddeld 14 uur per week.

1.2. Bij besluit van 26 april 2005 heeft het college appellant onder verwijzing naar zijn besluit van 11 juni 2004 medegedeeld dat zijn aanstelling als docent met ingang van 1 augustus 2005 voor drie uur wordt beëindigd en zijn feitelijke werktijd vanaf deze datum derhalve weer 14 uur per week bedraagt.

Appellant heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt en daarbij tevens bezwaar gemaakt tegen het tijdelijke karakter van zijn dienstverband.

Bij het bestreden besluit van 8 december 2005 heeft het college het bezwaar van appellant tegen het niet verlenen van een dienstverband voor onbepaalde tijd niet-ontvankelijk verklaard omdat het besluit van 26 april 2005 daarover geen (nieuw) besluit inhield en het bezwaar is ingediend ruimschoots na het verstrijken van de termijn voor het maken van bezwaar tegen de ter zake genomen besluiten. Voor het overige is het bezwaar tegen het besluit van 26 april 2005 ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. Naar aanleiding van hetgeen in hoger beroep is aangevoerd overweegt de Raad het volgende.

3.1. Ter zitting van de Raad heeft appellant het vermoeden uitgesproken dat de voorzitter van de Commissie behandeling bezwaren werknemers Open Universiteit Nederland, die het college advies heeft uitgebracht over het door hem ingediende bezwaar, niet voldoet aan het vereiste van artikel 7:13, eerste lid, onder b, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Van de zijde van het college is evenwel ter zitting - door appellant verder niet meer weersproken - medegedeeld dat die voorzitter een onafhankelijke buitenstaander is die niet werkzaam is onder verantwoordelijkheid van het college. Gelet daarop kan die grief niet slagen. Met betrekking tot de grief van appellant dat op het advies van voormelde bezwaarcommissie een ondertekening ontbreekt, verwijst de Raad naar de overwegingen ter zake in de aangevallen uitspraak, waarmee hij instemt.

3.2. De Raad stelt voorts vast dat het college het bezwaar van appellant terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard voor zover dat was gericht tegen het tijdelijke karakter van zijn aanstelling. Het primaire besluit van 26 april 2005 bevatte hieromtrent immers niet nog een afzonderlijk besluit, terwijl de besluiten die het college daarover eerder wel heeft genomen van zeer geruime tijd vóór de indiening van het bezwaar dateren.

3.3. Waar het gaat om de beëindiging van het (tijdelijk) dienstverband met drie uur per week heeft het college, mede gelet op artikel 8.15 van de toen geldende CAO NU van 1 september 2004 - 31 december 2005, kennelijk toepassing willen geven aan artikel 12.4, vierde lid, van de CAO NU van 1 september 2003 - 31 augustus 2004; daarin is bepaald dat de afloop van een dienstverband voor bepaalde tijd minimaal drie maanden voor de afloopdatum schriftelijk aan de werknemer zal worden meegedeeld. De Raad acht de toepassing van deze bepaling in dit geval niet onjuist, waarbij in aanmerking is genomen dat de CAO NU geen soortgelijke andere bepaling kent die specifiek ziet op een (gedeeltelijke) beëindiging als hier aan de orde.

Het besluit van 26 april 2005 dient, zoals de rechtbank met juistheid heeft overwogen (tevens) te worden beschouwd als een besluit om de uitbreiding van de aanstelling met drie uur per week niet te verlengen.

Dienaangaande merkt de Raad het volgende op.

3.4. Voor zover appellant van mening is dat ten aanzien van de onderhavige drie uur per week op grond van de conversiebepalingen van het eerste of vijfde lid van artikel 3.9 van de CAO NU (1 september 2003 - 31 augustus 2004) een dienstverband voor onbepaalde tijd is ontstaan, overweegt de Raad het volgende. De aanstelling is geschied met toepassing van artikel 3.7, eerste lid, aanhef en onder b, van die CAO NU, derhalve wegens het slechts tijdelijk beschikbaar zijn van financiële middelen dan wel ter uitvoering of mede-uitvoering van een bepaald werk. Niet valt in te zien - zoals uit de hierna onder 3.5. opgenomen overwegingen volgt - dat dit een kennelijk onjuiste aanstellingsgrond is, zodat een conversie als bedoeld in het vijfde lid van artikel 3.9, voornoemd, zich hier niet voordoet. Evenmin kan er - wederom gelet op de overwegingen onder 3.5. - van worden uitgegaan dat de omstandigheid die leidde tot het dienstverband voor bepaalde tijd zich niet meer voordeed, zoals in het eerste lid van artikel 3.9 vermeld. Reeds hierom was het college niet op grond van dit eerste lid gehouden tot het verlenen van een dienstverband voor onbepaalde tijd, nog daargelaten dat zo’n gehoudenheid er overigens evenmin is als een dienstverband voor onbepaalde tijd “uit anderen hoofde bezwaarlijk” zou zijn.

3.5. Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting is de Raad genoegzaam aannemelijk geworden dat de Open Universiteit Nederland zich destijds en in het bijzonder ook in 2004 gesteld zag voor een aanzienlijke bezuinigingsoperatie waarvan ook de faculteit Rechtswetenschappen de gevolgen ondervond. Aangezien de kosten van deze faculteit hoofdzakelijk bestaan uit personeelskosten heeft deze faculteit haar personeelsbestand aanzienlijk moeten terugbrengen. Dit is vooral bewerkstelligd door 57-plussers een regeling aan te bieden en tijdelijke contracten niet te verlengen. Verder is aannemelijk dat de faculteit in dit verband normen hanteert die ertoe hebben geleid dat de betrokken taken van appellant per 1 augustus 2005 daadwerkelijk zijn vervallen.

3.6. Mede gezien de terughoudende toetsing die de rechter in een geval als dit in acht behoort te nemen, kan de Raad dan ook niet inzien dat het college bij afweging van de betrokken belangen niet in redelijkheid heeft kunnen besluiten om de tijdelijke uitbreiding van het dienstverband met drie uur per week niet te continueren. Dat achteraf uit de door het college op 9 mei 2006 vastgestelde jaarrekening 2005 is gebleken dat de Open Universiteit Nederland over 2005 een gunstig financieel resultaat heeft geboekt, kan hieraan niet afdoen.

3.7. Hieruit volgt dat het hoger beroep niet slaagt en de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

4. Bij besluit van 10 april 2006 heeft het college appellant bericht dat zijn dienstverband ingaande 1 augustus 2006 eindigt. De rechtbank heeft dienaangaande in de aangevallen uitspraak geoordeeld dat dat besluit geen onderdeel uitmaakt van de bij de rechtbank aanhangige procedure. Appellant heeft in hoger beroep gesteld dat dit besluit op grond van artikel 6:19, eerste lid, van de Awb deel uitmaakt van dit geding. De Raad kan echter niet inzien dat dit besluit op enige wijze verandering brengt in het hier ter beoordeling staande besluit van 8 december 2005 dat betrekking heeft op zijn rechtspositie per 1 augustus 2005. Appellant kan dan ook niet in zijn stelling worden gevolgd.

5. De Raad acht tot slot geen termen aanwezig toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Awb inzake vergoeding van proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door G.P.A.M. Garvelink-Jonkers als voorzitter en J.Th. Wolleswinkel en K.J. Kraan als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van E.W.F. Menkveld-Botenga als griffier, uitgesproken in het openbaar op 10 januari 2008.

(get.) G.P.A.M. Garvelink-Jonkers.

(get.) E.W.F. Menkveld-Botenga.

HD

07.01.