Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BC2240

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
03-01-2008
Datum publicatie
22-01-2008
Zaaknummer
06-6062 AW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Rust beoordeling van wijze waarop betrokkene heeft gefunctioneerd op voldoende gronden? Bijzondere omstandigheden gedurende beoordelingstijd? Overplaatsingsbeleid.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

06/6062 AW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellante] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Hertogenbosch van 14 september 2006, nr. 05/3509 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Eindhoven (hierna: college)

Datum uitspraak: 3 januari 2008

I. PROCESVERLOOP

Appellante heeft hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het geding is behandeld ter zitting van 22 november 2007 waar het college, daartoe opgeroepen, verschenen is bij gemachtigden mr. M.A.M. Houben en J.A.C. Stratman, beiden werkzaam bij de gemeente Eindhoven. Appellante is, zoals eerder aangekondigd, niet verschenen.

II. OVERWEGINGEN

1. Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting gaat de Raad uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellante is sinds 1992 in vaste dienst werkzaam bij de gemeente Eindhoven. Vóór 14 januari 2002 bekleedde zij daar een functie op het gebied van de administratieve uitvoering van de Regeling in- en doorstroombanen voor langdurig werklozen. Met ingang van genoemde datum werd appellante in verband met de uitbesteding van de uitvoering van die regeling aan WSD Boxtel/Pluspunt gedurende een jaar gedetacheerd bij die organisatie. Bij besluit van 3 september 2003 is zij met ingang van 1 september 2003 benoemd in de functie van medewerker Documentair Informatiebeheer met een arbeidsomvang van 21,6 uur en voor het resterende gedeelte van haar dienstverband van 14,4 uur aangemerkt als herplaatsingskandidaat.

1.2. Ten aanzien van appellante is over de periode van 1 januari 2004 tot 6 december 2004 een beoordeling opgemaakt waarin haar op het merendeel van de daarin aan de orde gestelde gezichtspunten een onvoldoende score is toegekend. De functievervulling in haar geheel werd zowel voor kwaliteit als kwantiteit beoordeeld met waarderingscode B. Die beoordeling is bij besluit van 7 maart 2005 grotendeels ongewijzigd vastgesteld.

Het college heeft de opgemaakte beoordeling betrokken bij zijn besluit van 27 januari 2005 om appellante voor haar 14,4 uur als herplaatsingskandidaat niet te benoemen in de ontstane vacatureruimte voor de functie van medewerker Documentair Informatiebeheer. Bij het bestreden besluit van 27 september 2005 heeft het college de bezwaren van appellante tegen de besluiten van 27 januari 2005 en 7 maart 2005 ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het tegen het bestreden besluit ingestelde beroep ongegrond verklaard.

3. Appellante betoogt in hoger beroep dat de rechtbank heeft miskend dat het college bij zijn beoordeling onvoldoende gewicht heeft toegekend aan de gestelde RSI-klachten en het overlijden van verwanten, welke omstandigheden haar functioneren in ongunstige zin hebben beïnvloed. Appellante voert verder aan dat zij wat betreft geleverde productie ten onrechte is beoordeeld op een productienorm waarmee zij niet bekend was. Voorts wordt haar ten onrechte verweten dat zij teveel vragen aan collega’s stelt en veelvuldig afwezig is van de werkplek. Volgens appellante zijn van de zijde van het college onvoldoende inspanningen verricht ter verbetering van de arbeidsrelatie tussen appellante en haar collega’s en heeft het college mitsdien op die arbeidsrelatie bij de beoordeling ten onrechte acht geslagen. Ten slotte betoogt appellante dat het gezichtspunt schriftelijke uitdrukkingsvaardigheid, waaraan in de opgemaakte beoordeling een score D (ging boven de eisen uit) was toegekend, bij de vaststelling van de beoordeling ten onrechte als gezichtspunt is vervallen.

3.1. Ten aanzien van het gehandhaafde besluit van het college om appellante niet te benoemen in de functie van medewerker Documentair Informatiebeheer voor 14,4 uur, betoogt appellante dat de rechtbank ten onrechte het standpunt van het college dat in die functie een andere boventallige ambtenaar van de gemeente is benoemd, voor juist heeft gehouden. Volgens appellante is een uitzendkracht in die functie benoemd en is zij als herplaatsingskandidaat ten onrechte gepasseerd.

4. Met betrekking tot de toetsing van de inhoud van een beoordeling overweegt de Raad dat die volgens zijn vaste jurisprudentie (CRvB 5 november 1998, LJN ZB7954 en TAR 1998, 191) is beperkt tot de vraag of gezegd moet worden dat de beoordeling op onvoldoende gronden berust. Daarbij geldt als uitgangspunt dat in geval van negatieve oordelen het betrokken bestuursorgaan aan de hand van concrete feiten in rechte aannemelijk moet maken dat die negatieve waardering niet op onvoldoende gronden berust.

4.1. Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting is voor de Raad genoegzaam komen vast te staan dat de kwantiteit van de door appellante geleverde productie in het beoordelingstijdvak onvoldoende is geweest. In 2003 is in de unit Documentair Informatiebeheer het zogenaamde Digitaal Informatie Systeem in gebruik genomen. In 2004 is op grond van ervaringscijfers met dit systeem gekomen tot een productienorm van (de invoer van) 167 documenten per medewerker per dag, welke norm in 2005 formeel is vastgesteld. Voor appellante is, vanwege de beperkende omstandigheden waarop zij zich heeft beroepen, een productienorm aangehouden van 100 documenten per dag. Appellante heeft de juistheid van de ervaringscijfers noch van de op grond daarvan vastgestelde productienorm betwist. Daarvan uitgaande acht de Raad ook de in het geval van appellante aangehouden norm niet onredelijk. Appellante heeft niet betwist dat zij niet aan die norm heeft voldaan. De gestelde onbekendheid met die norm, wat daar ook van zij, doet daaraan niet af. Appellante is er in met haar gehouden functioneringsgesprekken op 16 augustus 2004 en 20 oktober 2004 reeds op gewezen dat zij kwantitatief onvoldoende presteert en heeft die constatering van de leidinggevende niet betwist maar volstaan met het geven van een verklaring voor die onvoldoende prestatie. Bovendien heeft appellante niet betwist dat haar productie telkens enige tijd verbeterde indien zij erop werd aangesproken.

4.1.1. Met betrekking tot het gezichtspunt omgang en samenwerking met collega’s wordt in de gehandhaafde beoordeling gesteld dat de betrokkenheid van appellante bij en de door haar betoonde verantwoordelijkheid voor de werkzaamheden van de unit onvoldoende is, dat ze in afwijking van afspraken over de werkwijze niet op tijd werk van anderen overneemt en dat haar houding en gedrag irritaties bij collega’s oproepen. Appellante betwist niet de juistheid van deze beschrijving. Er bestaat geen grond voor het oordeel dat het college onvoldoende inspanningen heeft verricht ter verbetering van de relaties met collega’s. Van de zijde van het college is onweersproken gesteld dat de directe collega’s van appellante door de leidinggevende zijn gemaand haar niet negatief te bejegenen en dat appellante ter zake coaching is aangeboden waarvan zij destijds geen gebruik heeft willen maken. De door appellante overgelegde verklaring van haar vroegere collega V. leidt, gezien ook hetgeen het college daar tegenover heeft gesteld, de Raad niet tot een ander oordeel.

4.1.2. Wat betreft het vervallen van het gezichtspunt schriftelijke uitdrukkingsvaardigheid bij de vaststelling van de beoordeling is van de zijde van het college toegelicht dat deze vaardigheid voor de door appellante beklede functie niet wordt vereist. Dat standpunt is (ook) in hoger beroep niet betwist. Appellante heeft integendeel de juistheid van dat standpunt nadrukkelijk erkend in de namens haar voorgedragen pleitnotitie tijdens de hoorzitting ter zake van de door haar ingediende zienswijze over de voorgenomen vaststelling van de beoordeling. Gelet hierop ziet de Raad niet in dat het college heeft gehandeld in strijd met enige geschreven of ongeschreven rechtsregel door dat gezichtspunt bij de vaststelling van de beoordeling achterwege te laten.

4.2. In het door appellante aangevoerde kan gelet op het voorgaande geen aanknopingspunt worden gevonden voor het oordeel dat de beoordeling van de wijze waarop zij heeft gefunctioneerd op onvoldoende gronden rust. Hetgeen appellante naar voren heeft gebracht met betrekking tot de omstandigheden waaronder zij haar werkzaamheden gedurende het beoordelingstijdvak heeft verricht, maakt dit niet anders. Volgens vaste jurisprudentie van de Raad (CRvB 25 april 2007, LJN BA5298) kunnen deze omstandigheden hooguit invloed hebben op de aan de beoordeling in de rechtspositionele sfeer te verbinden gevolgen, maar kunnen zij niet leiden tot hogere scores dan op grond van het feitelijk functioneren is gerechtvaardigd. In dit geval zijn die omstandigheden ook uitdrukkelijk op het beoordelingsformulier vermeld en hebben bovendien het college aanleiding gegeven voor het stellen van een lagere productienorm.

4.3. De rechtbank heeft ten slotte terecht geen grond gevonden voor vernietiging van het bestreden besluit voor zover daarbij het besluit van 27 januari 2005 is gehandhaafd. Met betrekking tot de herplaatsing van ambtenaren wier functie geheel of gedeeltelijk is komen te vervallen hanteert het college de Nota overplaatsingsbeleid. Daarin is, voor zover thans van belang, niet meer bepaald dan dat bij vacatures aan de over te plaatsen (lees: te herplaatsen) ambtenaar voorrang wordt gegeven boven iemand die binnen de dienst zou kunnen doorstromen naar een hogere functie. Het college heeft toegelicht dat binnen de unit Documentair Informatiebeheer meerdere personen met een vergelijkbare positie als herplaatsingskandidaat voor de ontstane vacature van medewerker Documentair Informatiebeheer in aanmerking kwamen en dat uiteindelijk is gekozen voor een medewerker die beter presteerde. De Raad acht dit niet onaanvaardbaar. Appellante heeft haar - door het college betwiste - stelling dat in de ontstane vacature een uitzendkracht is benoemd niet aannemelijk gemaakt.

5. Uit het vorenstaande volgt dat het hoger beroep faalt en de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

6. De Raad acht geen termen aanwezig toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht inzake vergoeding van proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door G.P.A.M. Garvelink-Jonkers als voorzitter en R. Kooper en K.J. Kraan als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van P.W.J. Hospel als griffier, uitgesproken in het 3 januari 2008.

(get.) G.P.A.M. Garvelink-Jonkers.

(get.) P.W.J. Hospel.

HD

03.01