Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BC2233

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
10-01-2008
Datum publicatie
22-01-2008
Zaaknummer
07-2981 AW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering betrokkene opnieuw tot gerechtsdeurwaarder te benoemen. Verboden mandaat. Onbevoegdelijk genomen besluit. Voldoende actuele kennis? Wenselijkheid herbenoeming na eerder faillissement? Ondernemingsplan voldoende?

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht 10:3
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
TAR 2008/93
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

07/2981 AW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant], (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 5 april 2007, 06/4043 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen

appellant

en

de Minister van Justitie (hierna: minister)

Datum uitspraak: 10 januari 2008

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

De minister heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 december 2007. Appellant is verschenen in persoon, bijgestaan door I.F.M.T. Raijmakers, belastingconsulent, werkzaam bij Raijmakers Administraties. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. F.W. Bleichrodt, advocaat te ’s-Gravenhage, en mr. E.W. Engelkes, werkzaam bij het ministerie van Justitie. De minister heeft, zoals ter zitting besproken, een nader stuk ingediend.

II. OVERWEGINGEN

1. Voor een uitgebreidere weergave van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden wordt verwezen naar de aangevallen uitspraak. De Raad volstaat met het volgende.

1.1. Appellant is destijds met ingang van 1 juni 1977 benoemd tot gerechtsdeurwaarder te Amsterdam. Op eigen verzoek is hem met ingang van 12 februari 1990 eervol ontslag verleend.

1.2. Appellant heeft met het oog op een nieuwe benoeming tot deurwaarder een ondernemingsplan, opgesteld op 8 augustus 2005, ingediend bij de Commissie van deskundigen (hierna: commissie), bedoeld in artikel 6, tweede lid, van de Gerechtsdeurwaarderswet (Gdw). Naar aanleiding daarvan heeft de commissie aan appellant vragen gesteld die door appellant zijn beantwoord. Bij haar brief van 14 december 2005 heeft de commissie negatief over het plan geadviseerd omdat zij het niet aannemelijk achtte dat een kostendekkende exploitatie na drie jaar mogelijk zal zijn en daarom niet werd voldaan aan de in artikel 6, eerste lid, van de Gdw genoemde benoemingsvoorwaarden.

1.3. Daarna heeft appellant bij zijn brief van 23 december 2005 aan de minister verzocht om benoeming tot gerechtsdeurwaarder te Amsterdam. Desgevraagd heeft de commissie aangegeven geen aanleiding te zien om haar advies nader toe te lichten. De Koninklijke Beroepsorganisatie van Gerechtsdeurwaarders heeft bij haar brief van 27 januari 2006 negatief geadviseerd, onder andere omdat appellant ervan blijk heeft gegeven dat hij niet beschikt over actuele kennis van de deurwaarderswetgeving en het ongewenst is een gerechtsdeurwaarder die in de uitoefening van zijn praktijk eerder in staat van faillissement is komen te verkeren, opnieuw tot gerechtsdeurwaarder te benoemen.

1.4. De minister heeft bij zijn besluit van 11 april 2006 het verzoek van appellant afgewezen. Vervolgens heeft de minister deze afwijzing bij zijn besluit van 19 juli 2006 (hierna: bestreden besluit) na bezwaar gehandhaafd.

1.5. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het bestreden besluit vernietigd omdat naar haar oordeel onvoldoende is gebleken van feiten, omstandigheden of handelingen die aanleiding geven voor de conclusie dat er ten aanzien van appellant gegronde vrees bestaat dat in strijd zal worden gehandeld met hetgeen een goed gerechtsdeurwaarder betaamt. Dit betreft de weigeringsgrond van artikel 7, derde lid, van de Gdw. Omdat de minister het bestreden besluit eveneens had gebaseerd op de grond dat niet is voldaan aan de in artikel 5 - in samenhang met artikel 6 - van de Gdw vermelde voorwaarden en afwijzing op deze grond naar haar oordeel in rechte stand kan houden, heeft de rechtbank echter de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand gelaten.

2. De Raad overweegt allereerst ambtshalve dat zowel het primaire besluit als het bestreden besluit namens de minister zijn genomen door dezelfde persoon, te weten de Directeur (toegang) Rechtsbestel. In artikel 10:3, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is bepaald dat mandaat tot het beslissen op een bezwaarschrift niet wordt verleend aan degene die het besluit waartegen het bezwaar zich richt, krachtens mandaat heeft genomen. Dit betekent dat het bestreden besluit in strijd met de genoemde bepaling is genomen. Reeds vanwege dit bevoegdheidsgebrek kan het bestreden besluit niet in stand worden gelaten en is dit besluit door de rechtbank terecht vernietigd. Naar aanleiding van vragen van de Raad ter zitting heeft de directeur-generaal Rechtspleging namens de minister echter blijkens zijn besluit van 17 december 2007 het bestreden besluit door bekrachtiging geheel voor zijn rekening genomen. Gelet hierop zal de Raad bezien of er aanleiding bestaat de rechtsgevolgen van het besluit in stand te laten.

3. De Raad overweegt daartoe als volgt. Ingevolge artikel 5 van de Gdw, voor zover hier van belang, is tot gerechtsdeurwaarder slechts benoembaar degene die in het bezit is van een ondernemingsplan dat voldoet aan de voorwaarden van artikel 6, eerste lid, alsmede van het advies, bedoeld in artikel 6, tweede lid, van de Gdw. Het eerste lid van artikel 6 van de Gdw bepaalt dat het ondernemingsplan zodanig is opgesteld dat daaruit in ieder geval blijkt (a) dat de verzoeker over voldoende financiële middelen beschikt om een kantoor te houden dat in overeenstemming is met de eisen van het ambt en (b) dat op redelijke gronden mag worden verwacht dat na drie jaren de praktijk kostendekkend kan worden uitgeoefend. Het tweede lid van artikel 6 van de Gdw bepaalt, voor zover hier van belang, dat over het ondernemingsplan advies wordt uitgebracht door de commissie.

3.1. Artikel 3 van het Besluit ondernemingsplan gerechtsdeurwaarder bepaalt dat het ondernemingsplan in ieder geval een uitwerking bevat van de volgende onderdelen: marktverkenning, opzet van de kantoororganisatie, resultatenprognose en financierings-plan. Uit de toelichting blijkt dat de concrete uitwerking van deze onderdelen sterk afhangt van het beoogde type vestiging. Wanneer het gaat om de voortzetting of uitbreiding van een bestaand kantoor zal de nadruk kunnen worden gelegd op actuele bedrijfseconomische informatie over de praktijkomvang en de financiële basis van het kantoor. Bij de vestiging van een nieuw kantoor moeten de analyses meer omvatten. Wat betreft de marktverkenning zal het plan een analyse van de marktsituatie moeten bevatten. Onderbouwd zal moeten worden welke omzet van de praktijk als geheel wordt verwacht en binnen welke periode deze omzet kan worden bereikt.

3.2. Uit het advies van de commissie komt naar voren dat de onderbouwing van het ondernemingsplan, hoewel appellant in de gelegenheid is gesteld zijn plan aan te vullen, op alle hiervoor genoemde onderdelen tekortschiet. Naar het oordeel van de commissie is op alle door haar getoetste onderdelen van het plan sprake van een tenminste hoger dan normaal risico. De commissie acht het daarom niet aannemelijk dat na drie jaren een kostendekkende exploitatie van de gerechtsdeurwaarderspraktijk met als vestigingsplaats Amsterdam mogelijk zal zijn.

3.3. De Raad overweegt dat de wetgever de beoordeling van het ondernemingsplan en daarmee van de levensvatbaarheid van een voorgenomen gerechtsdeurwaarderspraktijk in handen heeft gelegd van de commissie. Deze is daartoe samengesteld uit twee deskundigen op bedrijfseconomisch gebied en een gerechtsdeurwaarder. De Raad is niet gebleken dat het advies van de commissie naar inhoud of wijze van totstandkoming zodanige gebreken vertoont dat de minister dit niet aan zijn besluitvorming ten grondslag had mogen leggen. Wat betreft de zorgvuldigheid van de totstandkoming is daarbij in aanmerking genomen dat de commissie naar aanleiding van het ingediende ondernemingsplan aan appellant een aantal vragen heeft gesteld en hem gelegenheid heeft geboden het plan aan te vullen. Hetgeen door appellant tegen de inhoud van het advies is aangevoerd kan naar het oordeel van de Raad de juistheid van de conclusies van de commissie niet aantasten. Appellant heeft in bezwaar tegenover het wettelijk voorgeschreven advies van de commissie geen contra-expertise geplaatst van een andere deskundig te achten persoon of instantie. In zijn ondernemingsplan ontbreekt, ondanks daartoe strekkend verzoek van de commissie, vooral een deugdelijke marktanalyse, waarmee op objectieve gronden aannemelijk wordt gemaakt dat een voldoende omzet voor zijn op te richten kantoor mocht worden verwacht. De door appellant naar voren gebrachte toezeggingen om opdrachten aan zijn op te richten kantoor te geven bieden daartegen onvoldoende tegenwicht. Ook op andere onderdelen heeft appellant niet kunnen aantonen dat de gegevens waarop de commissie zijn advies heeft gebaseerd onjuist of onvolledig waren. Het geheel van de in het ondernemingsplan en daarna nog nader door appellant verstrekte gegevens kan de conclusie van de commissie dat er sprake is van een zodanig verhoogd risico dat een kostendekkende exploitatie na drie jaren niet aannemelijk kan worden geacht, redelijkerwijs rechtvaardigen.

4. Gelet op het vorenoverwogene moeten de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand worden gelaten. Nu de rechtbank tot dezelfde slotsom is gekomen, moet de aangevallen uitspraak worden bevestigd.

5. Voor een proceskostenveroordeling op grond van artikel 8:75 van de Awb bestaat geen aanleiding.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J.Th. Wolleswinkel als voorzitter en R. Kooper en A.A.M. Mollee als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van K. Moaddine als griffier, uitgesproken in het openbaar op 10 januari 2008.

(get.) J.Th. Wolleswinkel.

(get.) K. Moaddine.

HD

04.01