Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BC2213

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
03-01-2008
Datum publicatie
18-01-2008
Zaaknummer
05-5625 ANW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering nabestaanden uitkering. Is toepassing wet BEU in strijd met het Eerste Protocol EVRM?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RSV 2008, 178
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

05/5625 ANW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante],

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 25 juli 2005, 04/908 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (hierna: Svb).

Datum uitspraak: 3 januari 2008

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. C.A.J. de Roy van Zuydewijn, advocaat te Amsterdam, hoger beroep ingesteld.

Bij brief van 25 januari 2007 heeft de Svb een vraag van de Raad beantwoord. Vervolgens heeft de Svb bij brief 26 april 2007 een productie in het geding gebracht. Verder heeft de Svb nog een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 14 juni 2007. Namens appellante is daarbij verschenen mr. De Roy van Zuydewijn, voornoemd. De Svb heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. P.C.J. van de Nes.

De Raad heeft vervolgens het onderzoek in deze procedure heropend en heeft aan de gemachtigde van appellante een vraag gesteld, welke bij brief van 4 september 2007 is beantwoord. De Svb heeft daarop bij brieven van 24 en 26 september 2007 zijn standpunt nader toegelicht.

Het onderzoek ter zitting heeft opnieuw plaatsgevonden op 22 november 2007. Namens appellante is daarbij verschenen mr. De Roy van Zuydewijn, voornoemd. De Svb heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. P.C.J. van de Nes en J.Y. van den Berg.

II. OVERWEGINGEN

Met ingang van 1 januari 2003 zijn de artikelen 3, 4 en 5 van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen, voorzover het betreft de Sociale verzekeringsbank in werking getreden. Thans oefent de Svb de taken en bevoegdheden uit die tot genoemde datum werden uitgeoefend door de Sociale Verzekeringsbank. In deze uitspraak wordt onder de Svb tevens verstaan de Sociale Verzekeringsbank.

Appellante is in 1961 gehuwd met [Y.] (hierna: [Y.]), geboren op 12 maart 1926. [Y.] is in Nederland werkzaam geweest en is vervolgens op enig tijdstip teruggekeerd naar Turkije. Door de Svb is aan [Y.] een ouderdomspensioen ingevolge de Algemene Ouderdomswet (AOW) toegekend vanaf het moment dat hij, in 1991, de leeftijd van 65 jaar had bereikt. Tot 1 januari 2000 is [Y.] verzekerd gebleven ingevolge de volksverzekeringen op grond van de toen geldende Besluiten uitbreiding en beperking kring verzekerden volksverzekeringen. Op 6 april 2001 is [Y.] in Turkije overleden.

Appellante heeft vervolgens aan de Svb verzocht een nabestaandenuitkering ingevolge de Algemene nabestaandenwet (ANW) aan haar toe te kennen. Bij besluit van 1 maart 2002 heeft de Svb afwijzend op deze aanvraag beslist, omdat [Y.] op de datum van zijn overlijden niet verzekerd was ingevolge de ANW, dan wel de Turkse sociale verzekeringswetgeving. Bij beslissing op bezwaar van 26 januari 2004 (hierna: het bestreden besluit) heeft de Svb het bezwaar van appellante ongegrond verklaard.

De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellante ongegrond verklaard.

In hoger beroep heeft appellante gesteld dat de beëindiging van de verplichte verzekering van [Y.] met ingang van 1 januari 2000 in strijd is met het vertrouwensbeginsel alsmede met artikel 1 van het Eerste Protocol bij het Europees verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (Trb. 1951, 154; 1990, 156, hierna: EVRM). Tevens is aangevoerd dat de weigering van de ANW-uitkering in strijd is met de verplichtingen die voortvloeien uit diverse internationale verdragen en supranationale regelingen. Verder heeft appellante met name aandacht gevraagd voor het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen van 7 juli 2005, nr. C-227/03, Van Pommeren-Bourgondiën (verder: het arrest Van Pommeren-Bourgondiën) en het ter uitvoering daarvan genomen Besluit vrijwillige verzekering AOW en ANW voor in de Europese Unie wonende uitkeringsgerechtigden van 19 december 2005, Stb. 720 (hierna: KB 720). Appellante stelt dat in KB 720 sprake is van een ongerechtvaardigd onderscheid naar nationaliteit. In dit verband is ter zitting tevens een beroep gedaan op artikel 9 van de Overeenkomst van 12 september 1963 waarbij een associatie tot stand wordt gebracht tussen de Europese Economische Gemeenschap en Turkije, Trb. 1963/184 (de Associatieovereenkomst). Ten slotte heeft de gemachtigde van appellante te kennen gegeven dat [Y.] inmiddels postuum voor de vrijwillige verzekering krachtens de ANW is aangemeld en dat de Svb afwijzend op dit verzoek heeft beslist.

De Raad overweegt het volgende.

Tussen partijen is niet in geschil dat [Y.] op het moment van zijn overlijden niet verplicht of vrijwillig verzekerd was ingevolge de ANW of ingevolge de Turkse wettelijke regelingen. Ter beantwoording ligt daarom slechts voor de vraag of artikel 26, zesde lid van het Besluit uitbreiding en beperking kring der verzekerden volksverzekeringen 1999 (Stb. 1998, 746), waarbij is bepaald dat artikel 26 van KB 746 met ingang van 1 januari 2000 komt te vervallen, wegens strijd met een direct werkende bepaling van een internationaal verdrag of een besluit van een volkenrechtelijke organisatie, dan wel wegens strijd met het vertrouwensbeginsel, buiten toepassing moet worden gelaten.

Met betrekking tot het beroep op artikel 1 van het Eerste Protocol verwijst de Raad naar zijn uitspraken van 9 december 2005 (LJN: AU8520) en 6 april 2007 (LJN: BA2500). In deze uitspraken heeft de Raad overwogen dat personen van wie de verplichte ANW-verzekering is geëindigd, in de gelegenheid zijn gesteld zich aansluitend vrijwillig te verzekeren tegen een premie die wordt berekend naar het daadwerkelijk genoten inkomen. Voorzover de verzekering ingevolge de ANW reeds kan worden gekwalificeerd als een eigendomsrecht, is voor het ontnemen hiervan op deze wijze een toereikende compensatie geboden. Daarbij merkt de Raad op dat niet is gebleken dat de aangeboden vrijwillige verzekering voor [Y.] niet, dan wel slechts op een voor hem onevenredig belastende wijze, toegankelijk is geweest. Ook overigens is voldaan aan de in artikel 1 van het Eerste Protocol gestelde voorwaarden, zodat geen sprake is van een schending van artikel 1 van het Eerste Protocol.

Wat betreft het beroep van appellante op diverse internationale verdragen en supranationale regelingen, welke beroep overigens op geen enkele wijze nader is toegelicht in hoger beroep, verwijst de Raad naar hetgeen de rechtbank daaromtrent in de aangevallen uitspraak heeft overwogen.

Ten aanzien van het beroep van appellante op het arrest Van Pommeren-Bourgondiën verwijst de Raad allereerst naar de hiervoor genoemde uitspraak van 6 april 2007. In die uitspraak is - kort samengevat - overwogen dat de beëindiging van de verzekeringsplicht met ingang van 1 januari 2000 van een met [Y.] vergelijkbaar persoon, onder analoge toepassing van het genoemde arrest, niet in strijd kan worden geacht met (het Aanvullend Protocol bij) de Associatieovereenkomst, dan wel met Besluit 3/80 van de Associatieraad EG/Turkije. Het feit dat de Raad bij uitspraak van 1 november 2007 (LJN: BB7475), onder meer, een vraag heeft voorgelegd aan het Hof van Justitie EG over de betekenis van artikel 9 van de Associatieovereenkomst ten aanzien van een indirect onderscheid naar nationaliteit tussen in Turkije wonende Turkse onderdanen enerzijds en binnen de Europese Unie verblijvende personen anderzijds, maakt dit niet anders. Daarbij wijst de Raad erop dat in de zaken waar deze vraagstelling betrekking op heeft sprake is van een geheel andere situatie, namelijk de beperking van de export van een eerder toegekende toeslag op een uitkering, dan in deze procedure.

Verder verwerpt de Raad het beroep van appellante op het vertrouwensbeginsel. Daarbij wijst de Raad er allereerst op dat niet is gebleken dat [Y.] niet op de hoogte is gesteld van het einde van zijn verplichte verzekering per 1 januari 2000 en daarbij niet is geïnformeerd over de mogelijkheid van vrijwillige verzekering. Voorts kan uit de namens appellante overgelegde gegevens met betrekking tot de inhoudingen op het AOW-pensioen van [Y.] in 2000 en 2001 niet afgeleid worden dat toen premie voor de ANW-verzekering is betaald. Derhalve kan op grond van die gegevens niet geconcludeerd worden dat sprake is van een situatie waarin bij [Y.] het vertrouwen is gewekt dat hij vanaf 1 januari 2000 verzekerd is gebleven krachtens, onder meer, de ANW.

Wat betreft het verzoek van appellante om immateriële schadevergoeding merkt de Raad, onder verwijzing naar zijn vaste rechtspraak, op dat, indien wordt vastgesteld dat de totale duur van de procedure van dien aard is dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 EVRM is overschreden en deze overschrijding geheel of gedeeltelijk het gevolg is van een niet-verontschuldigbare traagheid van besluitvorming door het bestuursorgaan, beoordeeld moet worden of er termen aanwezig zijn om de belanghebbende voor het bestuurlijk aandeel in de termijnoverschrijding een compensatie te verlenen. Hierbij geldt dat in het geval van een schending van de redelijke termijn wordt voorondersteld dat de betrokkene spanning en frustratie heeft ondergaan.

De Raad stelt in dit geval vast dat vanaf de ontvangst van het bezwaarschrift op 10 april 2002 tot aan deze uitspraak van de Raad meer dan vijfeneenhalf jaar zijn verstreken. Hierdoor is naar het oordeel van de Raad de in artikel 6 van het EVRM bedoelde termijn overschreden. De Raad heeft hierbij mede in aanmerking genomen dat noch in de zaak zelf noch in de opstelling van appellante een rechtvaardiging kan worden aangetroffen voor de lange duur van de procedure.

Gelet op het aandeel van de Svb in de duur van de overschrijding, te weten van 10 april 2002 tot 26 januari 2004, concludeert de Raad dat appellante in de bezwaarfase onredelijk lang is afgehouden van de toegang tot de rechter. Het bestreden besluit komt op die grond voor vernietiging in aanmerking. Voorts is de Raad van oordeel dat er in dit geval geen aanleiding is om te veronderstellen dat appellante geen spanning en frustratie heeft ondergaan als gevolg van de schending van de redelijke termijn. De Raad kent daarom aan appellante ten laste van de Svb een vergoeding toe voor immateriële schade en stelt deze vast op een bedrag van € 1.000,--.

Gezien hetgeen hiervoor is overwogen over de weigering om aan appellante een ANW-uitkering toe te kennen zal de Raad, met toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), bepalen dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven.

De Raad acht termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van de Awb de Svb te veroordelen in de proceskosten van appellante in beroep en in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 644,-- in eerste aanleg en € 966,-- in hoger beroep voor verleende rechtsbijstand, te betalen door de Sociale verzekeringsbank aan appellante.

III BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het inleidend beroep gegrond en vernietigt het bestreden besluit;

Bepaalt dat de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand blijven;

Veroordeelt de Sociale verzekeringsbank tot betaling van een schadevergoeding aan appellante van € 1.000,--;

Veroordeelt de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank in de proceskosten van appellante in beroep en hoger beroep tot een bedrag van € 1.610,-- te betalen door de Sociale verzekeringsbank;

Bepaalt dat de Sociale verzekeringsbank aan appellante het betaalde griffierecht ad

€ 134,-- dient te vergoeden.

Deze uitspraak is gedaan door T.L. de Vries als voorzitter en H.J. Simon en H.J.de Mooij als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van A.C. Palmboom als griffier, uitgesproken in het openbaar op 3 januari 2008.

(get.) T.L. de Vries.

(get.) A.C. Palmboom.

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending

beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Postbus 20303, 2500 EH ’s-Gravenhage) ter zake van schending of verkeerde toepassing van bepalingen inzake het begrip kring van verzekerden.

IJ