Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BC2212

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
04-01-2008
Datum publicatie
18-01-2008
Zaaknummer
06-7357 WSF
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Vordering wegens meerinkomen vanwege inkomsten.

Wetsverwijzingen
Wet studiefinanciering 2000
Wet studiefinanciering 2000 3.17
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
ROT 2010/121 met annotatie van Mr. D.T. van der Leek
RSV 2008, 70
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

06/7357 WSF

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

de hoofddirectie van de Informatie Beheer Groep (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 4 december 2006, 05/1019 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

[Betrokkene]

en

appellante

Datum uitspraak: 4 januari 2008

I. PROCESVERLOOP

Appellante heeft hoger beroep ingesteld.

Betrokkene heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 23 november 2007. Appellante is verschenen bij haar gemachtigde mr. drs. K. Meijer.

Betrokkene is in persoon verschenen.

II. OVERWEGINGEN

Aan betrokkene is door appellante studiefinanciering toegekend over het jaar 2001 in de vorm van een OV-studentenkaart.

Na controles van de neveninkomsten van betrokkene aan de hand van door appellante bij de belastingdienst opgevraagde inkomensgegevens, heeft appellante het toetsingsinkomen van betrokkene over het studiefinancieringstijdvak 2001 vastgesteld op € 9.149,59. Op grond hiervan heeft appellante bij besluit van 18 januari 2005 ten laste van betrokkene een vordering wegens meerinkomen vastgesteld van in totaal € 690,12.

Het door betrokkene tegen de vordering wegens meerinkomen over 2001 gemaakte bezwaar is bij besluit van 25 mei 2005 (bestreden besluit) ongegrond verklaard. Daarbij is overwogen dat betrokkene niet heeft aangetoond dat een deel van het inkomen over 2001 reeds in 2000 vorderbaar en tevens inbaar was.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd en bepaald dat appellante een nieuw besluit op het bezwaar van betrokkene dient te nemen. De rechtbank is van oordeel dat de vordering van betrokkene op zijn werkgever reeds in 2000 vorderbaar en tevens inbaar was.

Appellante heeft zich hier niet mee kunnen verenigen. Daartoe is – zakelijk weergegeven – het volgende aangevoerd. De loonnabetaling van € 728,= over het jaar 2000 is op goede gronden aangemerkt als toetsingsinkomen over het jaar 2001 omdat de belastingdienst het loon heeft aangemerkt als te zijn genoten in 2001. Volgens de IB-Groep is de belastingdienst het bevoegde bestuursorgaan ten aanzien van de vaststelling van (het genietingsmoment van) het loon en niet de IB-Groep. Nu betrokkene geen besluit van de belastingdienst heeft overgelegd waarbij de belastingaanslag over 2001 is herzien heeft de IB-Groep terecht het voornoemde loon aangemerkt als loon over 2001. De rechtbank is hier ten onrechte van afgeweken. Subsidiair heeft appellante aangegeven dat de rechtbank ten onrechte heeft geconcludeerd dat het loon vorderbaar en inbaar was in 2000.

Betrokkene heeft zich op het standpunt gesteld dat het loon wel vorderbaar en inbaar was in 2000, dat de vordering onevenredig is in verhouding tot het geringe meerinkomen en dat het voor hem geen meerwaarde had om bij de belastingdienst een herzieningsverzoek in te dienen. Hij heeft er ook op gewezen dat de IB-Groep hem telefonisch heeft gezegd dat genoegen zou worden genomen met een verklaring van zijn werkgever.

De Raad overweegt het volgende.

Artikel 3.17, van de Wet studiefinanciering 200 (Wsf 2000) luidt, voor zover in dit geding van belang, als volgt:

“1.Indien een studerende in een kalenderjaar meerinkomen heeft, leidt dit tot een vordering van de IB-Groep op de studerende. Meerinkomen is het toetsingsinkomen, verminderd met een vrije voet (…).

2. Het toetsingsinkomen is het totaal van:

a. het loon in de zin van de Wet op de loonbelasting 1964, verminderd met de ingehouden loonbelasting en premies volksverzekeringen en de door de werkgever en de werknemer verschuldigde premie voor de verzekering ingevolge de Ziekenfondswet;

b. de belastbare winst uit onderneming, bedoeld in de artikelen 3.2 en 3.3 van de Wet inkomstenbelasting 2001, vermeerderd met de ondernemersaftrek, genoten in het desbetreffende kalenderjaar;

c. het belastbare resultaat uit overige werkzaamheden, bedoeld in afdeling 3.4 van de Wet inkomstenbelasting 2001;

d. de belastbare periodieke uitkeringen en verstrekkingen, bedoeld in afdeling 3.5 van de Wet inkomstenbelasting 2001;

e. de belastbare inkomsten uit eigen woning, bedoeld in afdeling 3.6 van de Wet inkomstenbelasting 2001; en

f. het voordeel uit sparen en beleggen, bedoeld in hoofdstuk 5 van de Wet inkomstenbelasting 2001.

(…)”

Uit deze bepaling noch op zichzelf bezien noch in combinatie met de overige bepalingen van de Wsf 2000 kan worden geconcludeerd dat de IB-Groep bij de vaststelling van het toetsingsinkomen zonder meer mag afgaan op de gegevens van de belastingdienst. Weliswaar zijn de gegevens van de belastingdienst een belangrijke bron voor het vaststellen van het toetsingsinkomen, maar dit betekent niet dat de IB-Groep geen eigen onderzoeksplicht heeft indien de studerende aannemelijk maakt dat de gegevens van de belastingdienst leiden tot een onjuiste vaststelling van het toetsingsinkomen. Het beroep dat appellante in dit verband gedaan heeft op de uitspraak van de Raad van 26 januari 2007 (LJ-nummer AZ7468) slaagt niet. Deze uitspraak ziet namelijk op de vaststelling van de draagkracht van de ex-studerende, ten aanzien waarvan in artikel 6.11 van de Wsf 2000 voor appellante de verplichting is opgenomen om de draagkracht vast te stellen op basis van het verzamelinkomen dan wel op basis van het belastbare loon. Aan appellante is in dat artikel geen enkele ruimte geboden om af te wijken van het door de inspecteur vastgestelde verzamelinkomen dan wel het belastbare loon. Een dergelijke bepaling bestaat ten aanzien van de vaststelling van het toetsingsinkomen niet.

In dit geval heeft betrokkene aangegeven dat de nabetaling over 2000 ten onrechte is meegenomen bij de bepaling van zijn toetsingsinkomen over 2001. Ter zitting bij de Raad heeft hij gezegd dat hij – desgevraagd – een voorschot had kunnen krijgen op hetgeen hij nog tegoed had van zijn werkgever.

Gelet op de in het dossier aanwezige brieven van de werkgever acht de Raad het evenwel niet aannemelijk dat de werkgever in 2000 kon overzien of betrokkene nog recht had op enige betaling over dat jaar. De Raad wijst met name op de brief van de werkgever aan de IB-Groep van 22 mei 2005, waarin wordt gesproken over enorme administratieve achterstanden in het aanmaken van arbeidsovereenkomsten en bijbehorende salarisbetalingen. Betrokkene is er dan ook niet in geslaagd aannemelijk te maken dat de gegevens van de belastingdienst leiden tot een onjuiste vaststelling van het toetsingsinkomen.

Betrokkene heeft voorts evenmin aannemelijk gemaakt dat door de IB-Groep een toezegging is gedaan dat een verklaring van zijn werkgever voldoende zou zijn om het achterstallige loon niet als toetsingsinkomen over 2001 mee te nemen.

Wat betreft de gestelde onevenredigheid tussen de vordering van € 690,12 en de vermeende overtreding merkt de Raad op dat in het primaire besluit ten onrechte het woord ‘boete’ wordt gebezigd. De Wsf 2000 spreekt anders dan zijn voorganger, de Wet op de studiefinanciering, niet van boete. Er wordt ingevolge artikel 3.17, zevende lid, aanhef en onder b van de Wsf 2000 slechts een compensatoire vordering opgelegd ter grootte van het bedrag dat de overheid voor de OV-studentenkaart heeft uitgegeven. Toetsing aan het evenredigheidsbeginsel is dan niet aan de orde.

Gelet op het vorenstaande slaagt het hoger beroep. De aangevallen uitspraak zal worden vernietigd en het beroep tegen het bestreden besluit wordt ongegrond verklaard.

De Raad ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling op grond van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gegeven door J. Janssen als voorzitter en I.M.J. Hilhorst-Hagen en J.P.M. Zeijen als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M.C.M. Sonderegger als griffier, uitgesproken in het openbaar op 4 januari 2008

(get.) J. Janssen.

(get.) M.C.M. Sonderegger.

MH