Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BC2195

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
04-01-2008
Datum publicatie
18-01-2008
Zaaknummer
06/5765 WSF en 06/5766 WSF
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBDOR:2006:AY9573, Meerdere afhandelingswijzen
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Inkomsten uit sparen en beleggen. Vordering wegens meerinkomen. Hardheidsclausule.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

06/5765 WSF en 06/5766 WSF

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

de hoofddirectie van de Informatie Beheer Groep (hierna: appellante)

tegen de uitspraak van de rechtbank Dordrecht van 29 september 2006, 05/717 en 05/1533 (hierna: aangevallen uitspraak),

in de gedingen tussen:

[Betrokkene]

en

appellante.

Datum uitspraak: 4 januari 2008

I. PROCESVERLOOP

Appellante heeft hoger beroep ingesteld.

Namens betrokkene heeft mr. W. Lindeboom, advocaat te Den Haag, een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 23 november 2007. Appellante was vertegenwoordigd door mr. drs. K. Meijer. Betrokkene is verschenen in persoon, bijgestaan door mr. Lindeboom.

II. OVERWEGINGEN

Aan betrokkene is door appellante studiefinanciering toegekend.

Na een controle van de neveninkomsten van betrokkene aan de hand van door appellante bij de belastingdienst opgevraagde inkomensgegevens heeft appellante het toetsingsinkomen van betrokkene over het studiefinancieringstijdvak 2001 respectievelijk 2002 vastgesteld op respectievelijk € 17.795,00 en € 16.867,09. Bij de berekening van dit toetsingsinkomen is achtereenvolgens € 17.795,00 en € 15.996,00 voordeel uit sparen en beleggen in aanmerking genomen. Op grond hiervan heeft appellante bij besluiten van 18 januari 2005 respectievelijk 7 juli 2005 ten laste van betrokkene een vordering wegens meerinkomen vastgesteld van in totaal over 2001 € 3.161,76 en over 2002 € 2.415,68.

Door betrokkene is tegen beide besluiten bezwaar gemaakt. Daarbij heeft zij in hoofdzaak gesteld dat de basis van het inkomen vermogen is, waarvan zij enkel het bloot eigendom bezit en dat is verkregen uit de nalatenschap van de grootouders. Zij geniet geen cashinkomsten uit dit vermogen.

Bij besluiten van 19 mei 2005 en 17 november 2005 (hierna: bestreden besluiten) zijn de bezwaren van betrokkene door appellante onder verwijzing naar artikel 3.17 en artikel 11.5 van de Wet studiefinanciering 2000 (WSF 2000) ongegrond verklaard. Daarbij is voorts overwogen dat het inkomen in bedoelde jaren vorderbaar en tevens inbaar was.

Betrokkene heeft vervolgens beroep ingesteld, onder meer aanvoerende dat haar ouders het vruchtgebruik hebben en dat het inkomen uit sparen en beleggen (dus) niet vorderbaar en tevens inbaar was.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank de beroepen van betrokkene tegen de bestreden besluiten gegrond verklaard en deze besluiten vernietigd. Onder verwijzing naar het oorspronkelijke doel van de wetgever met de in artikel 3.17 van de WSF 2000 neergelegde regeling inzake neveninkomsten van studerenden, is daartoe overwogen dat de in de bestreden besluiten neergelegde weigeringen om toepassing te geven aan de hardheidsclausule niet berusten op een deugdelijke motivering, aangezien betrokkene enkel bloot eigendom heeft verkregen van een deel van de nalatenschap van haar grootouders en dus niet heeft kunnen beschikken over deze nalatenschap of de vruchten ervan.

Appellante heeft zich niet kunnen verenigen met de aangevallen uitspraak. Daartoe is door appellante in hoger beroep aangevoerd dat uit de gedrukte stukken met betrekking tot de Aanpassingswet Wet inkomstenbelasting 2001 (Kamerstukken II, 27 184, nr. 5, blz. 15) kan worden afgeleid dat de wetgever er uitdrukkelijk voor heeft gekozen om bloot eigendom dat is verkregen krachtens erfrecht niet uit te sluiten van de vermogenstoets. Verder is gewezen op divergentie in de rechtspraak.

In het verweerschrift heeft betrokkene er op gewezen dat de wetsgeschiedenis het oordeel van de rechtbank ondersteunt. Zij heeft voorts gewezen op een bijzondere waarderingsregel die blijkt uit een toelichting van de Staatssecretaris van Financiën van 12 december 2003.

De Raad overweegt het volgende.

Bij de met ingang van 1 januari 2001 in werking getreden Aanpassingswet Wet inkomstenbelasting 2001 zijn het tweede en zesde lid van artikel 3.17 van de WSF 2000 afgestemd op de gelijktijdige wijzigingen in het belastingstelsel. Sindsdien luidt artikel 3.17, voor zover in de onderhavige gedingen van belang, als volgt:

“1. Indien een studerende in een kalenderjaar meerinkomen heeft, leidt dit tot een vordering van de IB-Groep op de studerende. Meerinkomen is het toetsingsinkomen, verminderd met een vrije voet (…).

2. Het toetsingsinkomen is het totaal van:

(…)

f. het voordeel uit sparen en beleggen, bedoeld in hoofdstuk 5 van de Wet inkomstenbelasting 2001.

(…)

7. Indien een studerende in een kalenderjaar meerinkomen heeft, is die studerende aan de IB-Groep verschuldigd:

a. een bedrag ter grootte van het meerinkomen, met dien verstande dat dit bedrag niet groter kan zijn dan het bedrag van de met betrekking tot dat kalenderjaar door die studerende ontvangen beurs, en

b. voor iedere maand waarin hij op enig moment beschikte over de kaart, bedoeld in artikel 3.7, het bedrag gelijk aan eentwaalfde deel van de waarde van de reisvoorziening, bedoeld in artikel 5.3, tweede lid, vermenigvuldigd met het aantal maanden waarover met inachtneming van het vijfde lid het toetsingsinkomen is berekend.

(…)”

Naar het oordeel van de Raad heeft appellante het toetsingsinkomen van betrokkene in de controlejaren 2001 en 2002 berekend in overeenstemming met het bepaalde in artikel 3.17 van de WSF 2000.

Aan de orde is vervolgens de vraag of appellante aanleiding had behoren te vinden om met toepassing van de in artikel 11.5 van de WSF 2000 neergelegde hardheidsclausule af te wijken van het tweede lid, aanhef en sub f, van artikel 3.17 van de WSF 2000.

Dienaangaande is de Raad van oordeel dat er geen grond is om te bepalen dat appellante in het onderhavige geval met toepassing van de hardheidsclausule af moet wijken van artikel 3.17, tweede lid, aanhef en sub f, van de WSF 2000. De Raad volstaat in dit geval met een verwijzing naar zijn uitspraken van 5 oktober 2007 (onder meer LJ-nummer BB5403).

Het beroep van betrokkene op de bijzondere waarderingsregel slaagt evenmin reeds omdat de toelichting waarnaar zij verwijst dateert van na de controlejaren waarop deze procedures betrekking hebben. Voorts is op geen enkele manier aannemelijk gemaakt dat de belastingdienst de hoogte van het vermogen onjuist heeft vastgesteld.

De overwegingen van de rechtbank ten aanzien van de toepassing van de hardheids-clausule kunnen dan ook geen stand houden. De Raad is evenwel van oordeel dat de motivering van de bestreden besluiten in zoverre daarin wordt aangegeven dat het inkomen vorderbaar en inbaar is als bedoeld in artikel 13a van de Wet op de loonbelasting ondeugdelijk is, hetgeen er toe leidt dat die besluiten terecht zijn vernietigd. Gelet op het vorenoverwogene is de Raad voorts van oordeel dat de rechtsgevolgen van de vernietigde besluiten in stand kunnen blijven.

De Raad acht termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) appellante te veroordelen in de proceskosten van betrokkene in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 644,= voor verleende rechtsbijstand in hoger beroep.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak;

Bepaalt dat de rechtsgevolgen van de vernietigde besluiten geheel in stand blijven;

Veroordeelt de hoofddirectie van de Informatie Beheer Groep in de proceskosten van betrokkene in hoger beroep tot een bedrag groot € 644,=, te betalen door de Informatie Beheer Groep.

Aldus gegeven door J. Janssen als voorzitter en I.M.J. Hilhorst-Hagen en J.P.M. Zeijen als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M.C.T.M. Sonderegger als griffier, uitgesproken in het openbaar op 4 januari 2008.

(get.) J. Janssen.

(get.) M.C.T.M. Sonderegger.

HS