Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BC2192

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
11-01-2008
Datum publicatie
18-01-2008
Zaaknummer
05-1198 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Schatting WAO. Juistheid belastbaarheid. Geschiktheid geselecteerde functies.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

05/1198 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Almelo van 18 januari 2005, 03/27 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

[Betrokkene],

en

appellant.

Datum uitspraak: 11 januari 2008

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Namens betrokkene heeft G. Grote Beverborg, werkzaam bij Arcon belangenbehartigers te Hengelo, zich als gemachtigde gesteld.

Bij schrijven van 19 januari 2007 heeft appellant nadere stukken ingebracht.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 2 februari 2007, waar appellant was vertegenwoordigd door A.G.G. Schoonderbeek en waar betrokkene, zoals vooraf was bericht, niet is verschenen.

Omdat de Raad van oordeel was dat het onderzoek niet volledig was geweest, is dit heropend.

De Raad heeft bij brief van 13 maart 2007 dr. R.A.A. Bots, orthopedisch chirurg, verzocht als deskundige van verslag en advies te dienen. Naar aanleiding hiervan heeft de deskundige op 23 juli 2007 rapport uitgebracht, waarop van de zijde van appellant is gereageerd bij schrijven van 5 september 2007.

Het onderzoek ter zitting heeft opnieuw plaatsgevonden op 30 november 2007, waar appellant was vertegenwoordigd door Schoonderbeek, voornoemd, en waar betrokkene, met schriftelijke kennisgeving, niet is verschenen.

II. OVERWEGINGEN

Betrokkene was werkzaam als lasser/constructiebankwerker. Hij heeft zich op 8 juni 1998 ziekgemeld wegens rugklachten. In verband hiermee is hem met ingang van 7 juni 1999 een WAO-uitkering toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%.

Appellant heeft bij besluit van 23 december 2002 (hierna: bestreden besluit) - beslissend op bezwaar tegen het besluit van 3 juni 2002 - de WAO-uitkering van betrokkene met ingang van 24 februari 2003 herzien en nader vastgesteld naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 55 tot 65%.

Namens betrokkene is in beroep tegen het bestreden besluit gesteld dat de medische beperkingen zijn onderschat en hij vanuit medisch oogpunt niet geschikt is voor de aan het bestreden besluit ten grondslag gelegde functies.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van betrokkene gegrond verklaard en het bestreden besluit vernietigd.

De rechtbank is van oordeel dat, gelet op de bevindingen van de door haar als onafhankelijke medisch deskundige geraadpleegde neuroloog J.U.R. Niewold, bezien in samenhang met de overige gedingstukken, betrokkene met ingang van 24 februari 2003 vanuit medisch oogpunt niet in staat was tot het verrichten van de voor hem geselecteerde functies.

Appellant heeft in hoger beroep aangevoerd dat het oordeel van de door de rechtbank geraadpleegde deskundige niet dient te worden gevolgd, nu diens conclusies niet worden gedragen door objectieve onderzoeksbevindingen. Het oordeel van de deskundige dat er sprake is van meer beperkingen dan neergelegd in de functionele mogelijkhedenlijst (FML) is volgens de bezwaarverzekeringsarts vooral gebaseerd op de klachtenbeleving van betrokkene.

In hetgeen appellant in hoger beroep heeft aangevoerd heeft de Raad ter beantwoording van de vraag of op de datum in geding de medische beperkingen van betrokkene juist zijn vastgesteld en de vraag of betrokkene medisch gezien in staat moet worden geacht tot het verrichten van de aan het bestreden besluit ten grondslag liggende functies, aanleiding gezien als onafhankelijke medisch deskundige de orthopedisch chirurg Bots, voornoemd, in te schakelen. Deze heeft de beschikking gekregen over alle gedingstukken tot dan toe, betrokkene onderzocht en op 23 juli 2007 rapport van zijn bevindingen uitgebracht.

De Raad overweegt als volgt.

De Raad ziet in de eerste plaats aanleiding ambtshalve te onderzoeken of de aangevallen uitspraak op juiste wijze tot stand is gekomen.

De rechtbank heeft bepaald dat een nader onderzoek ter zitting achterwege blijft. In artikel 8:57 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is aan de rechtbank de bevoegdheid hiertoe verleend indien partijen daarvoor toestemming hebben gegeven.

Op 22 december 2004 heeft betrokkene die toestemming schriftelijk verleend. Appellant heeft een brief van 24 december 2004 (met bijlagen) aan de rechtbank toegezonden. In deze brief (en een daarbij gevoegde bijlage) heeft appellant toestemming verleend om af te zien van verder onderzoek ter zitting en daarnaast (mede onder verwijzing naar het bijgevoegde commentaar van de bezwaarverzekeringsarts van 17 december 2004) inhoudelijk gereageerd op een brief van de neuroloog Niewold van 19 november 2004. Vervolgens heeft de rechtbank de brief van 24 december 2004 (met bijlagen) aan betrokkene toegezonden, de behandeling van het beroep ter nadere zitting achterwege gelaten en uitspraak gedaan.

De Raad is van oordeel dat de vorenomschreven behandeling van het geding in eerste aanleg in strijd is met artikel 8:57 van de Awb. De Raad overweegt terzake, in lijn met eerdere uitspraken, dat in geval er nieuwe gedingstukken aan het procesdossier worden toegevoegd, het de rechter niet vrij staat om op basis van de toestemming die is gegeven aan de hand van de tot aan die toestemming aanwezige processtukken de zaak buiten zitting af te doen. Het achterwege laten van een (vervolg)zitting is in die situatie eerst mogelijk indien partijen na kennisname van de naderhand geproduceerde gedingstukken te kennen hebben gegeven dat de verleende toestemming van kracht blijft.

In het onderhavige geval heeft de rechtbank, nadat door appellant nadere stukken waren ingezonden, betrokkene niet opnieuw om toestemming in de zin van meergenoemd artikel verzocht, terwijl betrokkene een dergelijke toestemming ook anderszins niet heeft gegeven.

Bovenstaande leidt tot de conclusie dat de aangevallen uitspraak, als zijnde in strijd met artikel 8:57 van de Awb, niet rechtsgeldig tot stand is gekomen en daarom dient te worden vernietigd.

Nu de zaak naar het oordeel van de Raad geen nadere behandeling door de rechtbank behoeft, zal hij de zaak zonder terugwijzing afdoen.

Wat de zaak ten gronde betreft overweegt de Raad als volgt.

De Raad kent doorslaggevende betekenis toe aan het oordeel van de door hem ingeschakelde deskundige Bots. De Raad heeft daarbij in aanmerking genomen dat deze onafhankelijke en onpartijdige deskundige zijn oordeel heeft gebaseerd op eigen (lichamelijk en radiologisch) onderzoek, op de anamnese van betrokkene, en op de in het dossier aanwezige op betrokkene betrekking hebbende stukken. Voorts acht de Raad de bevindingen en conclusies afdoende medisch geobjectiveerd en op inzichtelijke wijze gemotiveerd. De Raad leidt uit het rapport van de deskundige af dat deze zich kan verenigen met de ten aanzien van betrokkene in de FML vastgestelde beperkingen voortvloeiende uit als ziekte of gebrek aan te merken afwijkingen in zijn gezondheidstoestand. Eventuele zwaardere beperkingen van de belastbaarheid voortvloeiende uit adipositas en conditiegebrek zijn, aldus de deskundige, geen beperkingen ten gevolge van ziekte of gebrek. De deskundige is voorts onmiskenbaar van oordeel dat betrokkene medisch in staat is te achten tot het verrichten van de werkzaamheden verbonden aan de door de bezwaararbeidsdeskundige geselecteerde functies.

Gezien het advies van de deskundige heeft appellant naar het oordeel van de Raad de WAO-uitkering van betrokkene per 24 februari 2003 op goede gronden herzien en nader vastgesteld naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 55-65%.

De Raad voegt hieraan toe dat, nu de passendheid van de geduide functies eerst in hoger beroep door appellant afdoende is gemotiveerd, er aanleiding bestaat het bestreden besluit te vernietigen, maar met toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Awb, de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit geheel in stand te laten.

De Raad acht termen aanwezig om appellant met toepassing van artikel 8:75 van de Awb te veroordelen in de proceskosten van betrokkene, welke met inachtneming van het Besluit proceskosten bestuursrecht zijn begroot op € 35,70 voor reiskosten in beroep.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep tegen het besluit van 23 december 2002 gegrond en vernietigt dit besluit;

Bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit geheel in stand blijven;

Veroordeelt de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen in de proceskosten van betrokkene in beroep tot een bedrag van € 35,70, te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen;

Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan betrokkene het in beroep betaalde griffierecht van € 29,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door G.J.H. Doornewaard als voorzitter en I.M.J. Hilhorst-Hagen en A.T. de Kwaasteniet als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M. Lochs als griffier, uitgesproken in het openbaar op 11 januari 2008.