Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BC2189

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
04-01-2008
Datum publicatie
18-01-2008
Zaaknummer
07-271 WTS
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBSGR:2007:AZ5715, (Gedeeltelijke) vernietiging met verwijzen
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afwijzing aanvraag tegemoetkoming onderwijsbijdrage en schoolkosten. Hardheidsclausule.

Wetsverwijzingen
Wet tegemoetkoming onderwijsbijdrage en schoolkosten 1.1
Wet tegemoetkoming onderwijsbijdrage en schoolkosten 1.3
Wet tegemoetkoming onderwijsbijdrage en schoolkosten 11.4
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
USZ 2008/80
ROT 2010/120
RSV 2008, 71
ABkort 2008/76
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

07/271 WTS

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

de hoofddirectie van de Informatie Beheer Groep (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 5 januari 2007, 05/1515 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

[Betrokkene]

en

appellante.

Datum uitspraak: 4 januari 2008

I. PROCESVERLOOP

Appellante heeft hoger beroep ingesteld.

Betrokkene heeft geen verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 23 november 2007. Appellante was vertegenwoordigd door mr. drs. K. Meijer. Betrokkene is niet verschenen.

II. OVERWEGINGEN

Betrokkene heeft door indiening van een op 15 augustus 2005 gedagtekend formulier ten behoeve van zijn zoon [M.] (geboren 23 maart 1989) voor het schooljaar 2005-2006 een tegemoetkoming aangevraagd op grond van hoofdstuk 3 van de Wet tegemoetkoming onderwijsbijdrage en schoolkosten (WTOS).

Op deze aanvraag heeft appellante bij besluit van 3 november 2005 afwijzend beslist. Het bezwaar dat betrokkene hiertegen heeft ingediend is bij besluit van 2 december 2005 (hierna: bestreden besluit) door appellante ongegrond verklaard. Daartoe is overwogen dat - zakelijk weergegeven - [M.] naast betrokkene een tweede wettelijke vertegenwoordiger heeft (zijn moeder) en dat deze over het tweede kwartaal van 2005 de kinderbijslag voor [M.] heeft ontvangen, zodat betrokkene ingevolge de wettelijke voorrangsregels niet in aanmerking komt voor de (ook) door hem aangevraagde tegemoetkoming. Verder is overwogen dat appellante geen aanleiding ziet om ten gunste van betrokkene toepassing te geven aan de hardheidsclausule.

In beroep heeft betrokkene zich op het standpunt gesteld dat het onredelijk is om hem over het schooljaar 2005-2006 een tegemoetkoming voor [M.] te onthouden. Daartoe is aangevoerd dat [M.] op 3 juni 2005 door zijn moeder haar huis is uitgezet, dat [M.] vervolgens bij betrokkene is ingetrokken, en dat betrokkene sindsdien de kosten van [M.] volledig voor zijn rekening neemt. Hoewel aan de moeder van [M.] over het schooljaar 2005-2006 door appellante wel een tegemoetkoming voor [M.] is toegekend, weigert zij bij te dragen in diens kosten in dat schooljaar.

De rechtbank heeft het beroep van betrokkene gegrond verklaard en het bestreden besluit vernietigd, een en ander met een aanvullende beslissing inzake de vergoeding van het door betrokkene betaalde griffierecht. Daartoe is overwogen dat uit pagina 23 van de Memorie van Toelichting bij het ontwerp van de WTOS (Kamerstukken II, 27414, nr. 3) blijkt dat de wetgever bij de vormgeving van de voorrangsregels van artikel 1.1, tweede lid, van de WTOS primair heeft willen aansluiten bij het antwoord op de vraag wie de kosten voor het kind draagt.

Daarbij is de wetgever ervan uitgegaan dat deze tevens de wettelijke vertegenwoordiger is die de kinderbijslag ontvangt. Nu de voormalige echtgenote van betrokkene niet bijdraagt in de kosten van [M.], doet zich naar het oordeel van de rechtbank een situatie voor die de wetgever niet heeft voorzien en had appellante dus met toepassing van de hardheidsclausule ten gunste van betrokkene van de voorrangsregels af moeten wijken.

Appellante heeft hoger beroep ingesteld. Daartoe is aangevoerd dat er geen reden is om met toepassing van de hardheidsclausule af te wijken van de wettelijke voorrangsregels, aangezien onverkorte toepassing van die regels in het onderhavige geval in overeenstemming is te achten met de bedoeling van de wetgever en de strekking van de wet. Betrokkene kan van de moeder van [M.] kinderalimentatie eisen en haar zonodig in rechte betrekken.

De Raad overweegt het volgende.

Aan de orde is de vraag of het oordeel van de rechtbank dat appellante ten gunste van betrokkene toepassing had moeten geven aan de hardheidsclausule in hoger beroep stand houdt.

Dienaangaande overweegt de Raad het volgende.

In artikel 11.4 van de WTOS is aan appellante de bevoegdheid verleend om deze wet in bepaalde gevallen buiten toepassing te laten of daarvan af te wijken voor zover toepassing, gelet op het belang dat deze wet beoogt te beschermen, zal leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard.

Deze hardheidsclausule biedt appellante niet de mogelijkheid om een uitzondering te maken op een in de WTOS opgenomen wettelijke bepaling, indien de onverkorte toepassing van die wettelijke bepaling in het concrete geval in overeenstemming is te achten met de bedoeling van de wetgever en de strekking van de wet.

Uit de tekst van artikel 1.1, tweede lid, van de WTOS, gelezen in samenhang met artikel 1.3 van die wet, kan niet anders worden afgeleid dan dat het de bedoeling van de wetgever en de strekking van de wet is dat, indien een minderjarige leerling twee wettelijke vertegenwoordigers heeft, per schooljaar maar één van die wettelijke vertegenwoordigers in aanmerking komt voor een tegemoetkoming voor deze leerling. Om dat te bereiken zijn in artikel 1.1, tweede lid, van de WTOS drie duidelijke voorrangsregels gegeven aan de hand waarvan kan en moet worden vastgesteld welke wettelijke vertegenwoordiger dat dan is, te weten:

a. de wettelijke vertegenwoordiger die over het tweede kwartaal van het jaar waarin het schooljaar aanvangt, ten behoeve van de leerling kinderbijslag als bedoeld in de Algemene Kinderbijslagwet heeft ontvangen,

b. indien onderdeel a niet van toepassing is: de wettelijke vertegenwoordiger bij wie de leerling op 1 augustus blijkens de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens woont, of

c. indien de onderdelen a en b niet van toepassing zijn: de wettelijke vertegenwoordiger die de wettelijke vertegenwoordigers gezamenlijk daartoe hebben aangewezen.

Verder is de Raad, anders dan de rechtbank, uit de gedrukte stukken met betrekking tot de in de WTOS neergelegde voorrangsregels niet gebleken dat een onverkorte toepassing van die regels in het onderhavige geval niet in overeenstemming is te achten met de bedoeling van de wetgever.

De wetgever heeft bij de vormgeving van de voorrangsregels gekozen voor een (enigszins arbitrair) formeel primair criterium om appellante zo veel mogelijk in staat te stellen om, juist ook bij een conflict tussen twee wettelijke vertegenwoordigers, nog voor aanvang van het schooljaar eenvoudig vast te stellen welke wettelijke vertegenwoordiger in aanmerking komt voor een tegemoetkoming en welke niet. Derhalve is de Raad van oordeel dat onverkorte toepassing van de wettelijke voorrangsregels in het onderhavige geval in overeenstemming is te achten met de bedoeling van de wetgever en de strekking van de wet.

Het voorgaande leidt de Raad tot het oordeel dat er geen grond is om te bepalen dat appellante toepassing had moeten geven aan de hardheidsclausule, dat het hoger beroep van appellante dus doel treft en dat de aangevallen uitspraak moet worden vernietigd. Verder vloeit uit het vorenstaande voort dat het beroep van betrokkene alsnog ongegrond moet worden verklaard.

De Raad ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling op grond van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door J. Janssen als voorzitter en I.M.J. Hilhorst-Hagen en J.P.M. Zeijen als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M.C.T.M. Sonderegger als griffier, uitgesproken in het openbaar op 4 januari 2008.

(get.) J. Janssen.

(get.) M.C.T.M. Sonderegger.

HS