Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BC2183

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
16-01-2008
Datum publicatie
18-01-2008
Zaaknummer
06-2839 ZW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Schatting WAO. Juistheid belastbaarheid. Geschiktheid geduide functies.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

06/2839 ZW

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant],

tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 6 april 2006, 05/4038 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 16 januari 2008

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. E.A. Breetveld, advocaat te Den Haag, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 5 december 2007.

Appellant is niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door A.W.G. Determan.

II. OVERWEGINGEN

Appellant is op 5 januari 1999 uitgevallen voor zijn werk in de tomaten- en paprikakwekerij. In aansluiting op de wachttijd van 52 weken is aan hem een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 15 tot 25%.

Appellant heeft zich op 22 maart 2004 vanuit een uitkeringssituatie ingevolge de Werkloosheidswet ziek gemeld wegens rug- en knieklachten. Na verzekeringsgeneeskundig onderzoek is appellant per 18 mei 2004 niet langer ongeschikt geacht voor de hem in het verleden in het kader van de WAO voorgehouden functies. Op 17 mei 2004 heeft de betrokken verzekeringsarts appellant een zogeheten arbeidsgeschiktheidsverklaring toegezonden en op 20 mei 2004 is terzake een besluit afgegeven. Tegen dit besluit is niet binnen de daarvoor gestele termijn bezwaar gemaakt.

Bij brief van 16 juni 2004 heeft appellants gemachtigde de verzekeringarts met verwijzing naar voormeld schrijven van 17 mei 2004 en onder toezending van een verklaring van de huisarts van 15 juni 2004 verzocht haar standpunt te heroverwegen. De verzekeringsarts heeft appellant op 15 september 2004 op het spreekuur onderzocht en na kennisneming van nadere informatie van de huiarts vastgesteld dat er geen reden is de belastbaarheid van appellant anders in te schatten, zodat hij geschikt moest worden geacht voor de geduide functies.

Bij besluit van 1 oktober 2004 is aan appellant meegedeeld dat hij met ingang van 18 mei 2004 geen recht had op ziekengeld, omdat hij niet ongeschikt was tot het verrichten van zijn arbeid.

Het tegen het besluit van 1 oktober 2004 gemaakte bezwaar is bij besluit van 10 juni 2005 (het bestreden besluit) ongegrond verklaard. Daarbij is overwogen dat het besluit van 1 oktober 2004 een besluit betreft op een verzoek om terug te komen van het rechtens vaststaande besluit van 20 mei 2004.

De rechtbank heeft het tegen het bestreden besluit ingestelde beroep, toetsend aan artikel 4:6 van Algemene wet bestuursrecht (Awb) ongegrond verklaard. De rechtbank heeft daarbij overwogen dat voormelde brief van 16 juni 2004 niet kan worden beschouwd als een verschoonbaar te laat ingediend bezwaarschrift, maar overeenkomstig de gekozen bewoordingen als een verzoek om heroverweging moet worden aangemerkt.

De Raad heeft het volgende overwogen.

In aanmerking genomen dat appellants gemachtigde in zijn bezwaarschrift de ontvangst door appellant van het besluit van 20 mei 2004 niet heeft ontkend en ook in het aanvullend beroepschrift in eerste aanleg in dit verband slechts is gesteld dat de gemachtigde op 16 juni 2004 geen kennis had van de inhoud van het besluit van 20 mei 2004, terwijl de ontvangst ter zitting van de rechtbank wel is betwijfeld maar niet met stelligheid is ontkend, is de Raad er niet van overtuigd geraakt dat appellant zelf het besluit van 20 mei 2004 niet heeft ontvangen.

De Raad onderschrijft mitsdien de overweging van de rechtbank dat het in voormelde brief van 16 juni 2004 vervatte verzoek tot heroverweging van de hersteldverklaring per 18 mei 2004 moet worden gezien als een verzoek om terug te komen van het besluit van 20 mei 2004.

Naar aanleiding van dat verzoek heeft het Uwv de zaak in haar geheel opnieuw beoordeeld, hetgeen echter niet tot een andere uitkomst heeft geleid.

Een bestuursorgaan is in het algemeen bevoegd om, na een eerdere afwijzing, een herhaalde aanvraag inhoudelijk te behandelen en daarbij het oorspronkelijke besluit in volle omvang te heroverwegen. Het bepaalde in artikel 4:6 van de Awb staat daaraan niet in de weg. Indien het bestuursorgaan met gebruikmaking van deze bevoegdheid de eerdere afwijzing handhaaft, kan dit echter niet de weg openen naar een toetsing als betrof het een oorspronkelijk besluit. Een dergelijke wijze van toetsen zou zich niet verdragen met de dwingendrechtelijk voorgeschreven termijn(en) voor het instellen van rechtsmiddelen in het bestuursrecht. Gelet hierop dient de bestuursrechter in zulk geval uit te gaan van de oorspronkelijke afwijzing en zich in beginsel te beperken tot de vraag of sprake is van nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden en, zo ja, of het bestuursorgaan daarin aanleiding had behoren te vinden om het oorspronkelijke besluit te herzien.

Gelet op de overwegingen van de bezwaarverzekeringsarts in het rapport van 12 mei 2005, inhoudende dat reeds bij orthopedisch onderzoek van appellant in 2001 sprake was van een bulging disc op niveau L4-L5, dat bij herhaling negatieve bevindingen ten aanzien van radiculaire verschijnselen zijn gedaan en dat bij een mri-onderzoek in mei 2004 ongewijzigde bevindingen zijn gedaan, kan niet worden gezegd dat hier sprake was van nieuwe of veranderde omstandigheden. Daarvan uitgaande kan, gelet op hetgeen van de zijde van betrokkene is aangevoerd, naar het oordeel van de Raad niet worden gezegd dat het Uwv niet in redelijkheid tot zijn besluit heeft kunnen komen dan wel daarbij anderszins heeft gehandeld in strijd met een geschreven of ongeschreven rechtsregel of met een algemeen rechtsbeginsel.

Uit het vorenstaande volgt dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

De Raad acht geen termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling als bedoeld in artikel 8:75 van de Awb.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door Ch. van Voorst. De beslissing is, in tegenwoordigheid van P. van der Wal als griffier, uitgesproken in het openbaar op 16 januari 2008.

(get.) Ch. van Voorst.

(get.) P. van der Wal.

TM