Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BC2178

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
16-01-2008
Datum publicatie
18-01-2008
Zaaknummer
06-3936 ZW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering Ziektewet omdat betrokkene niet wegens ziekte of gebreken ongeschikt wordt geacht tot het verrichten van zijn arbeid.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

06/3936 ZW

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant],

tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 31 mei 2006, 06/135 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 16 januari 2008

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. N.J. Hos, advocaat te Amersfoort, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 5 december 2007. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Hos. Het Uwv heeft zich niet laten vertegenwoordigen.

II. OVERWEGINGEN

Appellant, werkzaam als chauffeur viel voor dit werk op 14 mei 2003 uit wegens hartkloppingen, duizeligheid en moeheid. In het kader van de einde wachttijdbeoordeling ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) heeft een verzekeringsarts appellant onderzocht en psychische en lichamelijke beperkingen aangenomen die zijn omschreven in de Functionele Mogelijkhedenlijst van 10 mei 2004. Met inachtneming van deze beperkingen is appellant na arbeidskundige beoordeling geschikt geacht voor gangbare arbeid en is de mate van arbeidsongeschiktheid per 13 mei 2004 vastgesteld op 35 tot 45%. Als gangbare arbeid zijn hem onder meer de functies van wikkelaar/samensteller, machinaal metaalbewerker en meteropnemer voorgehouden. Naast de WAO-uitkering ontving appellant een uitkering ingevolge de Werkloosheidswet. Vanuit deze situatie heeft appellant zich per 31 januari 2005 wederom ziek gemeld wegens hartkloppingen, pijn in de borstkas, hyperventilatie en wegrakingen. Op 21 april 2005 heeft hij ter zake van deze ziekmelding het spreekuur bezocht van verzekeringsarts P. Hofmans. Deze komt tot de conclusie dat geen wijziging in de medische situatie is vast te stellen ten opzicht van de eerdere WAO-beoordeling en dat appellant geschikt moet worden geacht voor de bij deze beoordeling voorgehouden functies. De verzekeringsarts heeft de ziekmelding per 31 januari 2005 daarop niet geaccepteerd.

Bij besluit van 21 juli 2005 heeft het Uwv aan appellant meegedeeld dat hij met ingang van 31 januari 2005 geen recht heeft op ziekengeld ingevolge de Ziektewet (ZW) omdat hij niet wegens ziekte of gebreken ongeschikt wordt geacht tot het verrichten van zijn arbeid. In bezwaar heeft appellant een verklaring van 1 augustus 2005 van psychiater J.W. Peterse overgelegd waaruit blijkt dat hij sinds 7 maart 2005 bij deze psychiater onder behandeling is. Bij besluit van 12 december 2005 (hierna: het bestreden besluit) heeft het Uwv na een heroverweging door de bezwaarverzekeringsarts het bezwaar van appellant ongegrond verklaard.

De rechtbank heeft het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en daarbij met name betekenis toegekend aan de onderzoeksbevindingen van de betrokken verzekeringsarts en bezwaarverzekeringsarts. De rechtbank heeft daarbij in aanmerking genomen dat de bezwaarverzekeringsarts gemotiveerd heeft aangegeven waarom de informatie van de huisarts van 29 november 2005, waarbij deze een samenvatting van de relevante correspondentie en journaalregels heeft overgelegd, en de informatie van de behandelend psychiater van 28 november 2005 niet tot meer beperkingen leidt. Ook de in beroep overgelegde brief van de behandelend psychiater van 4 april 2006, geeft geen reden tot twijfel aan de juistheid van het medisch oordeel van de bezwaarverzekeringsarts nu deze brief geen nieuwe gegevens bevat ten opzichte van de eerdere informatie van de psychiater, die reeds bij het medisch onderzoek is betrokken, aldus de rechtbank.

De Raad verenigt zich met bovengenoemd oordeel van de rechtbank en onderschrijft de daaraan ten grondslag gelegde overwegingen.

De Raad overweegt voorts als volgt.

Ingevolge artikel 19, eerste en vierde lid, van de ZW heeft de verzekerde bij ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid, als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte of gebreken, recht op ziekengeld.

Volgens vaste jurisprudentie van de Raad dient onder ‘zijn arbeid’ in voormelde zin te worden verstaan de laatstelijk voor de ziekmelding feitelijk verrichte arbeid. Deze regel lijdt echter in zoverre uitzondering dat, wanneer de verzekerde na het volbrengen van de voorgeschreven wachttijd, blijvend ongeschikt is voor zijn oude werk en niet in enig werk heeft hervat, als maatstaf geldt arbeid, zoals die nader is geconcretiseerd bij de beoordeling van betrokkenes aanspraak op een uitkering ingevolge de WAO. Inmiddels heeft de Raad al meerdere malen uitgesproken dat van ongeschiktheid in de zin van de ZW geen sprake is indien de verzekerde geschikt is voor tenminste één van de functies die zijn geselecteerd bij de schatting in het kader van de WAO.

In hetgeen appellant in hoger beroep, zonder nadere medische onderbouwing, heeft aangevoerd, ziet de Raad geen grond om tot een ander oordeel te komen dan de rechtbank. De Raad is dan ook van oordeel dat het Uwv terecht heeft geoordeeld dat appellant met ingang van 31 januari 2005 in staat moet worden geacht ten minste één van de functies die zijn geselecteerd bij de eerdere schatting in het kader van de WAO te verrichten en dat hij per die datum derhalve geen recht heeft op ziekengeld.

Uit het vorenstaande volgt dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door Ch. van Voorst. De beslissing is, in tegenwoordigheid van P. van der Wal als griffier, uitgesproken in het openbaar op 16 januari 2008.

(get.) Ch. van Voorst.

(get.) P. van der Wal.

MR