Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BC2164

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
11-01-2008
Datum publicatie
18-01-2008
Zaaknummer
06-7233 WSF
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Vordering onverschuldigd verstrekte studiefinanciering. Wegens meerinkomsten uit wezenpensioen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

06/7233 WSF

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant],

tegen de uitspraak van de rechtbank ‘s-Gravenhage van 17 november 2006, 05/1166 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de hoofddirectie van de Informatie Beheer Groep (hierna: IB-Groep)

Datum uitspraak: 11 januari 2008

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

De IB-Groep heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 16 november 2007. Appellant is in persoon verschenen. De IB-groep was vertegenwoordigd door mr. K.H. Hofstee.

II. OVERWEGINGEN

Appellant heeft over het jaar 2001 studiefinanciering ontvangen. In datzelfde jaar ontving hij tevens een wezenpensioen van de Stichting Pensioenfonds HBG.

Bij besluit van 18 juni 2005 heeft de IB-Groep aan appellant een vordering wegens te veel bijverdiensten over het jaar 2001 opgelegd. Deze vordering bestaat uit een bedrag aan meerinkomen van € 597,20 en een bedrag van € 690,12 wegens het bezit van een OV-studentenkaart gedurende de maanden januari tot en met december 2001.

Het door appellant tegen dit besluit gemaakte bezwaar is bij besluit van 19 augustus 2005 ongegrond verklaard.

De rechtbank heeft het beroep van appellant tegen het besluit van 19 augustus 2005 bij de aangevallen uitspraak ongegrond verklaard.

Daartoe is overwogen dat de IB-Groep het door appellant ontvangen wezenpensioen terecht heeft betrokken bij de vaststelling van het toetsingsinkomen over het jaar 2001. De stelling van appellant dat hij, gelet op de destijds aan hem verstrekte informatie, erop heeft mogen vertrouwen dat de inkomsten uit het wezenpensioen gedeeltelijk vrijgesteld zouden worden bij de berekening van het toetsingsinkomen, is door de rechtbank verworpen. De rechtbank heeft terzake overwogen dat de brochures waarnaar appellant verwijst geen onjuiste informatie bevat doch hooguit vragen openlaat voor de individuele omstandigheden waarin een studerende kan verkeren en die relevant zijn voor de berekening van het meerinkomen. Het had op de weg van appellant gelegen om nadere informatie in te winnen bij de IB-Groep omtrent de mogelijke gevolgen van zijn wezenpensioen voor zijn toetsingsinkomen, en niet te blijven uitgaan van zijn interpretatie van de algemene informatie uit de brochures.

Appellant heeft zich in hoger beroep samengevat op het standpunt gesteld dat de rechtbank ten onrechte het beroep op het vertrouwensbeginsel heeft verworpen nu hij door de IB-Groep onjuist is geïnformeerd en op het verkeerde been is gezet. In dit verband is gesteld dat hij zich over de bijverdienregeling met name heeft laten informeren door lezing van de door de IB-Groep uitgegeven Informatiekrant voor studerend Nederland van juni 2000. Hierin wordt aangegeven dat een deel van het wezenpensioen niet meetelt voor de bijverdienregeling. Deze informatie laat volgens appellant geen vragen open. De begrippen wezenpensioen en Anw-uitkering zijn volstrekt verschillende begrippen.

De Raad overweegt als volgt.

De Raad stelt voorop dat tussen partijen niet in geschil is dat het door appellant in 2001 genoten wezenpensioen op grond van het bepaalde in de Wet studiefinanciering 2000 (Wsf 2000) in zijn geheel tot het toetsingsinkomen behoort en dat over het jaar 2001 sprake is van meerinkomen als bedoeld in artikel 3.17 van de Wsf 2000. Aan de orde is slechts de vraag of de rechtbank terecht tot het oordeel is gekomen dat de IB-Groep geen aanleiding had behoren te vinden om af te zien van de vordering wegens meerinkomen ingevolge deze dwingendrechtelijke bepaling op grond van schending van het vertrouwensbeginsel.

Naar het oordeel van de Raad was de in de Informatiekrant voor studerend Nederland van juni 2000 opgenomen informatie over de, op dat moment nog toekomstige, Wsf 2000 zo globaal van opzet dat appellant uit deze informatie niet zonder meer mocht afleiden dat zijn particuliere wezenpensioen onder de vrijstellingsregeling als bedoeld in artikel 3.17, vierde lid, van de Wsf 2000 viel. Het had dan ook op de weg van appellant gelegen zich nader te laten voorlichten middels foldermateriaal of contact met de IB-Groep over de consequenties van zijn wezenpensioen voor de omvang van zijn aanspraken op studiefinanciering. De Raad merkt op dat in de door de IB-Groep in 2001 specifiek voor de toepassing van de bijverdienregeling uitgegeven folder ‘Je hebt inkomsten naast je studie’ duidelijk wordt aangegeven dat louter een uitkering in het kader van de Algemene nabestaandenwet (Anw), en dus niet ook een particulier wezenpensioen, voor gedeeltelijke vrijstelling in aanmerking komt.

Uit het vorenstaande volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak komt voor bevestiging in aanmerking.

Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J. Janssen. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M. Lochs als griffier, uitgesproken in het openbaar op 11 januari 2008.

(get.) J. Janssen.

(get.) M. Lochs.

TM