Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BC2154

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
11-01-2008
Datum publicatie
18-01-2008
Zaaknummer
07-558 WAO+07-5226 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Hoogte van toegekende proceskostenvergoeding in bezwaar.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

07/558 WAO + 07/5226 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 21 december 2006, 06/446 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

[betrokkene] (hierna: betrokkene),

en

appellant.

Datum uitspraak: 11 januari 2008

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Namens betrokkene heeft mr. R.G. van den Heuvel, advocaat te Gouda, een verweerschrift ingediend.

Bij besluit van 13 juni 2007 heeft appellant het bezwaar van betrokkene alsnog gegrond verklaard. De WAO-uitkering van betrokkene is per de datum in geding alsnog ongewijzigd voortgezet naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 35 tot 45%. Tevens zijn de in bezwaar door betrokkene gemaakte proceskosten vergoed tot een bedrag van € 322,- (kosten van rechtsbijstand).

Nadien hebben partijen over en weer op elkaars standpunt gereageerd.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 30 november 2007.

Appellant was, met voorafgaand bericht, niet vertegenwoordigd. Betrokkene is in persoon verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde.

II. OVERWEGINGEN

Bij besluit van 5 december 2005 heeft appellant – beslissend op bezwaar – de WAO-uitkering van betrokkene, die laatstelijk werd berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 35 tot 45%, met ingang van 21 augustus 2005 herzien en nader vastgesteld naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 15 tot 25%.

Het besluit van appellant rust mede op het bepaalde in artikel 9, aanhef en onder b, en artikel 10, eerste lid, onder a, van het Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten, zoals vastgesteld op 18 augustus 2004 en in werking getreden op 1 oktober 2004 (Stb. 2004, 434, hierna: Schattingsbesluit 2004), regelende – kort samengevat – de maximering van de urenomvang van de maatman bij de berekening van de resterende verdiencapaciteit op 38 uur per week.

Bij de aangevallen uitspraak is de rechtbank onder meer tot het oordeel gekomen dat de regeling van de maximering van de urenomvang van de maatman zoals opgenomen in het Schattingsbesluit 2004 verbindende kracht mist, zodat het op het Schattingsbesluit 2004 gebaseerde besluit van 5 december 2005 niet in stand kan blijven.

De rechtbank heeft het door betrokkene tegen het besluit van 5 december 2005 ingestelde beroep om die reden gegrond verklaard en dat besluit vernietigd, een en ander met nadere bepalingen omtrent griffierecht en proceskosten.

In het aanvullende hoger beroepschrift van 14 februari 2007 heeft appellant bestreden het oordeel van de rechtbank dat de regeling van de maximering van de urenomvang van de maatman als opgenomen in het Schattingsbesluit 2004 verbindende kracht mist.

Betrokkene heeft zich in het verweerschrift van 14 maart 2007 achter het oordeel van de rechtbank geschaard.

Hangende het hoger beroep heeft appellant, gelet op de recente jurisprudentie van de Raad betreffende de regeling van de maximering van de urenomvang van de maatman als opgenomen in het Schattingsbesluit 2004, zijn in hoger beroep ingenomen standpunt niet langer gehandhaafd en betrokkene bij nader besluit van 13 juni 2007 alsnog ongewijzigd voor 35 tot 45% arbeidsongeschikt geacht per 21 augustus 2005.

Ten aanzien van het besluit van 13 juni 2007 heeft betrokkene de Raad desgevraagd meegedeeld zich te kunnen vinden in de nadere vaststelling van de mate van arbeidsongeschiktheid per datum in geding, maar het niet eens te zijn met de hoogte van de in dat besluit toegekende proceskostenvergoeding in bezwaar.

De Raad overweegt als volgt.

Nu appellant het oordeel van de rechtbank niet langer bestrijdt, heeft hij geen belang meer bij een beoordeling van de aangevallen uitspraak ten aanzien van het besluit van 5 december 2005, zodat het hoger beroep niet-ontvankelijk dient te worden verklaard.

De Raad stelt vervolgens vast dat met het nadere besluit van 13 juni 2007 de in bezwaar gemaakte proceskosten niet naar genoegen van betrokkene zijn vergoed, zodat appellant met dit besluit niet volledig aan betrokkene is tegemoet gekomen. Dit brengt met zich dat het besluit van 13 juni 2007 ingevolge artikel 6:19, eerste lid, en artikel 6:24 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het lopende hoger beroep wordt meegenomen.

Aangaande het nadere besluit van 13 juni 2007 overweegt de Raad als volgt.

Betrokkene heeft zich aanvankelijk op het standpunt gesteld dat een extra punt voor kosten van rechtsbijstand in de bezwaarfase moet worden toegekend in verband met het bijwonen van de hoorzitting, derhalve een kostenvergoeding van in totaal € 644,-. Nadien heeft betrokkene zich nader op het standpunt gesteld dat de na 17 oktober 2005, toen bleek dat het op dat moment zinloos was om de geplande hoorzitting te laten doorgaan, aan appellant geleverde extra informatie en de met de verkrijging van deze informatie benodigde tijd, een hogere kostenvergoeding rechtvaardigen als zou de hoorzitting wel degelijk hebben plaatsgevonden. Hier heeft betrokkene aan toegevoegd dat de bezwaarzaak ten onrechte als van gemiddeld gewicht is bestempeld.

De Raad stelt op grond van de beschikbare gedingstukken vast – en dit is ook niet in geschil tussen partijen – dat er in bezwaar geen hoorzitting heeft plaatsgevonden. De Raad is naast de kosten voor het indienen van het bezwaarschrift niet gebleken van andere kosten die overeenkomstig het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) voor vergoeding in aanmerking komen. De Raad ziet voorts geen aanleiding om de door appellant toegepaste wegingsfactor van 1 voor onjuist te houden. In bezwaar zijn door betrokkene louter medische grieven geuit en niet is gebleken van een van het gemiddelde afwijkende juridische en/of feitelijke complexiteit van de zaak in bezwaar.

Het voorgaande betekent dat het beroep voor zover gericht tegen het nadere besluit van 13 juni 2007 ongegrond dient te worden verklaard.

De Raad ziet aanleiding appellant te veroordelen in de proceskosten van betrokkene in hoger beroep welke, ingevolge het Bpb, worden vastgesteld op € 644,- voor verleende rechtsbijstand.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk;

Verklaart het beroep, voorzover dit wordt geacht te zijn gericht tegen het besluit van 13 juni 2007, ongegrond;

Veroordeelt de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen in de door betrokkene wegens rechtsbijstand in hoger beroep gemaakte proceskosten tot een bedrag van € 644,-, te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan de griffier van de Raad;

Bepaalt dat van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen een griffierecht van € 428,- wordt geheven.

Deze uitspraak is gedaan door G.J.H. Doornewaard als voorzitter en I.M.J. Hilhorst-Hagen en A.T. de Kwaasteniet als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M. Lochs als griffier, uitgesproken in het openbaar op 11 januari 2008.

(get.) G.J.H. Doornewaard.

(get.) M. Lochs.

CVG