Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BC2009

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
11-01-2008
Datum publicatie
17-01-2008
Zaaknummer
06-566 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Toekenning gedeeltelijke WAO-uitkering. Medisch onderzoek zorgvuldig? Urenbeperking. Voldoende rekening gehouden met beperkingen?

Wetsverwijzingen
Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

06/566 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant],

tegen de uitspraak van de rechtbank Haarlem van 16 december 2005, 05/2019 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 11 januari 2008

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. A.G.B. Bergenhenegouwen, werkzaam bij ARAG Rechtsbijstand te Leusden, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend en rapporten ingezonden van zijn bezwaarverzekeringsarts en bezwaararbeidsdeskundige.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 6 december 2007. Appellant is met voorafgaand bericht niet verschenen. Het Uwv heeft zich doen vertegenwoordigen door mr. S.J.M.A. Clerx.

II. OVERWEGINGEN

Appellant is op 26 juni 2003 wegens klachten van psychische aard uitgevallen voor zijn in een voltijdse omvang verrichte werkzaamheden als applicatiebeheerder. Daarnaast is sprake van lichte RSI-klachten aan de rechterhand.

Bij besluit van 8 juli 2004 is hij met ingang van 25 juni 2004 in aanmerking is gebracht voor een uitkering ingevolge de Wet op de Arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 65 tot 80%.

Bij besluit van 7 april 2005, hierna het bestreden besluit, heeft het Uwv het bezwaar van appellant tegen eerstgenoemd besluit ongegrond verklaard.

Blijkens de aan evenvermelde besluiten ten grondslag liggende verzekeringsgeneeskundige beoordeling, zijn voor appellant beperkingen aangenomen in verband met een posttraumatisch stresssyndroom (PTSS) en een depressief beeld. Hij wordt door de verzekeringsartsen van het Uwv in staat geacht in een maximumomvang van - ongeveer - 4 uur per dag en 20 uur per week stressarme en eenvoudige werkzaamheden te verrichten, waarbij geen druk wordt opgelegd en geen hoge eisen worden gesteld aan concentratie en verantwoordelijkheid. Tevens zijn enkele beperkingen aangenomen als gevolg van de lichte RSI-klachten aan de rechterhand.

Appellant kan zich hiermee niet verenigen. Hij doet stellen als gevolg van in het bijzonder zijn klachten van psychische aard, die samenhangen met traumatische gebeurtenissen in Turkije en waarvoor hij een behandeling ondergaat in het

Sinai Centrum, aanzienlijk zwaarder beperkt te zijn. Hij acht zich op de datum in geding (nog) in het geheel niet in staat tot het verrichten van loonvormende arbeid. Daarnaast heeft appellant bezwaren tegen de bij de schatting als voor hem passende arbeidsmogelijkheden in aanmerking genomen functies. Hij is van mening dat van de zijde van het Uwv niet genoegzaam is aangetoond en toegelicht dat die functies daadwerkelijk voor hem geschikt zijn te achten.

De rechtbank heeft het medisch onderzoek door de verzekeringsartsen als volledig en voldoende zorgvuldig aangemerkt. De rechtbank heeft zich kunnen verenigen met de conclusies waartoe die artsen zijn gekomen. Voorts heeft de rechtbank zich kunnen stellen achter de arbeidskundige grondslag van de schatting. De passendheid van de bij de schatting betrokken functies is volgens de rechtbank deugdelijk toegelicht en gemotiveerd.

In hoger beroep heeft appellant zijn eerder aangevoerde bezwaren in overwegende mate doen herhalen.

De Raad komt niet tot een ander oordeel dan de rechtbank. Ook naar het oordeel van de Raad is het onderzoek door de verzekeringsartsen voldoende uitgebreid en zorgvuldig geweest. Er is, naast de resultaten van eigen medisch onderzoek, ook kennis genomen van informatie van de behandelaars van appellant, in bijzonder van de aan het Sinai Centrum verbonden behandelende psychotherapeut en psychiater.

De Raad deelt de opvatting van de verzekeringsartsen van het Uwv, zoals onder meer uiteengezet in het rapport van 21 april 2006, dat de bezwaarverzekeringsarts R.M. Hulst heeft opgesteld in reactie op de in hoger beroep ingebrachte nadere informatie van het Sinai Centrum, dat, ook in het licht van de door de behandelaars van dat centrum verstrekte informatie, de reeds in aanmerking genomen beperkingen toereikend kunnen worden geacht.

Met de toegepaste urenbeperking wordt volgens de bezwaarverzekeringsarts voldoende tegemoet gekomen aan de door zijn behandelaars voor appellant aangewezen geachte “maatschappelijke luwte”. De Raad acht de uitleg van de bezwaarverzekeringsarts waarom appellant in staat moet worden geacht om, eventueel naast de door hem voor zijn PTSS ondergane therapie, in een omvang van halve dagen werkzaam te zijn in functies zoals geduid, plausibel. Van objectief-medische gronden tot verdergaande beperkingen is - ook in hoger beroep - niet kunnen blijken.

Wat betreft de arbeidskundige grondslag van de onderhavige arbeidsongeschiktheidsbeoordeling overweegt de Raad in de eerste plaats dat de namens appellant in hoger beroep onder verwijzing naar uitspraken van de Raad van

9 november 2004 herhaalde grieven van algemene aard met betrekking tot het Claimbeoordelings- en Borgingssysteem als ondersteunend systeem bij schattingen geen doel treffen. De Raad volstaat in dit verband met een verwijzing naar zijn uitspraken van 12 oktober 2006, onder meer de uitspraak LJN AY9971 en van 23 februari 2007, onder meer de uitspraak LJN AZ9153.

Voorts onderschrijft de Raad het oordeel van de rechtbank dat genoegzaam is aangetoond dat appellant ten tijde hier van belang in staat was tot het vervullen van de in aanmerking genomen functies. De dienaangaande door de arbeidsdeskundigen verstrekte toelichtingen zijn voldoende. In dit verband merkt de Raad, naar aanleiding van hetgeen van de zijde van appellant naar voren is gebracht, in het bijzonder nog op dat door de bezwaararbeidsdeskundige A.H.T. Tee in diens rapport van 22 juni 2006 overtuigend is uiteengezet dat in de functies geen repetitieve handelingen voorkomen in een zodanige mate dat deze voor appellant, in het licht van de voor hem van toepassing geachte beperkingen met betrekking tot het gebruik van zijn rechterhand, niet haalbaar zouden zijn te achten.

De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door D.J. van der Vos als voorzitter en J.W. Schuttel en A.T. de Kwaasteniet als leden. Deze beslissing is, in tegenwoordigheid van W.R. de Vries als griffier, uitgesproken in het openbaar op 11 januari 2008.

(get.) D.J. van der Vos.

(get.) W.R. de Vries.

JL