Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BC1999

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
09-01-2008
Datum publicatie
17-01-2008
Zaaknummer
07-831 WUBO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Verzoek herziening besluit inzake weigering WUBO-uitkering afgewezen. Bevoegdheid om te herzien terughoudend toetsen. Nieuwe feiten?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

07/831 WUBO

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

[Appellant],

en

de Raadskamer WUBO van de Pensioen- en Uitkeringsraad (hierna: verweerster)

Datum uitspraak: 9 januari 2008

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft beroep ingesteld tegen een door verweerster onder dagtekening

28 december 2006, kenmerk JZ/060/2006, ten aanzien van hem genomen besluit ter uitvoering van de Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940-1945 (hierna; de Wet).

Verweerster heeft een verweerschrift ingediend.

Het geding is ter behandeling aan de orde gesteld ter zitting van 8 november 2007. Daar zijn partijen, zoals bericht, niet verschenen.

II. OVERWEGINGEN

Blijkens de gedingstukken heeft appellant, geboren in 1941 in het voormalige Nederlands-Indië, in december 2003 bij verweerster een aanvraag ingediend om te worden erkend als burger-oorlogsslachtoffer in de zin van de Wet en als zodanig in aanmerking te worden gebracht voor - onder meer - een periodieke uitkering. Appellant heeft die aanvraag gebaseerd op gezondheidsklachten die hij toeschrijft aan hetgeen hem is overkomen tijdens de Japanse bezetting van het voormalige Nederlands-Indië en de daaropvolgende, zogenoemde, Bersiap-periode, te weten:

tijdens de Japanse bezetting:

-het getuige zijn geweest van de mishandeling en bedreiging van zijn moeder en haar zussen door de Kempetai;

-het meemaken van bombardementen op Solo;

tijdens de Bersiap-periode:

-een verblijf in Koesoemojoedan/de Zusterschool te Solo

-de overplaatsing tussen het Boarding House en de Zusterschool aan de Muloweg.

Verweerster heeft die aanvraag afgewezen bij besluit van 28 mei 2004 op de grond, kort gezegd, dat niet is komen vast te staan dat appellant getroffen is geweest door oorlogs-geweld in de zin van de Wet. Tegen het besluit van 28 mei 2004 heeft appellant geen bezwaar ingediend.

In maart 2006 heeft appellant zich tot verweerster gewend met het verzoek het eerdere (negatieve) besluit te herzien en hem alsnog in aanmerking te brengen voor - onder meer - een periodieke uitkering.

Dat verzoek heeft verweerster afgewezen bij besluit van 8 augustus 2006, zoals na gemaakt bezwaar gehandhaafd bij het thans bestreden besluit, op gronden ontleend aan artikel 61, derde lid, van de Wet. Hiertoe heeft verweerster overwogen dat appellant bij het herzieningsverzoek noch tijdens de bezwaarprocedure relevante nieuwe feiten of gegevens heeft vermeld, die als zij destijds bekend zouden zijn geweest, tot een andere beslissing zouden hebben geleid.

De Raad dient antwoord te geven op de vraag of het bestreden besluit, gelet op hetgeen partijen in beroep hebben aangevoerd, in rechte kan standhouden.

Dienaangaande overweegt de Raad als volgt.

Op grond van artikel 61, derde lid, van de Wet is verweerster bevoegd, op daartoe door de belanghebbende gedane aanvraag, een door haar gegeven besluit in het voordeel van de bij dat besluit betrokkene te herzien. Deze bevoegdheid is discretionair van aard, hetgeen betekent dat verweerster een ruime beleidsvrijheid toekomt. Dit brengt met zich dat de Raad het besluit slechts terughoudend kan toetsen.

De Raad stelt voorop dat, gelet op het bepaalde in artikel 2, eerste lid, van de Wet voor erkenning als burger-oorlogsslachtoffers primair de voorwaarde geldt dat de aanvrager direct betrokken is geweest bij oorlogsgeweld in de zin van artikel 2, eerste lid, van de Wet. Eerst indien zodanige betrokkenheid is vastgesteld kunnen de medische gevolgen daarvan rechtens een rol spelen. Verweerster heeft bij haar besluiten over de eerdere aanvraag en thans in herziening terecht in de eerste plaats beoordeeld of er sprake is geweest van directe betrokkenheid van appellant bij oorlogsgeweld.

Bij een verzoek om herziening als waarvan hier sprake is, staat centraal de vraag of appellant bij zijn verzoek dan wel in bezwaar nieuwe feiten of gegevens heeft aangevoerd die aan verweerster bij de besluitvorming ten behoeve van de eerdere aanvraag niet bekend waren en waarin verweerster aanleiding had moeten vinden het toen genomen besluit te herzien.

Van dergelijke gegevens is de Raad, evenals verweerster, niet gebleken. Weliswaar heeft appellant zijn oorlogservaringen nader aangevuld, te weten het in 1948 gewond zijn geraakt door een (granaat)scherf bij een aanslag op een militaire kazerne, maar objectieve bevestiging van het relaas van appellant heeft verweerster niet verkregen. In dat verband merkt de Raad op dat volgens vaste rechtspraak van de Raad de eigen verklaring van een betrokkene, zonder dat er andere, objectieve gegevens zijn die de verklaring onder-steunen, onvoldoende is om de door een betrokkene gestelde gebeurtenis als vaststaand te aanvaarden.

De omstandigheid dat mogelijke getuigen van deze gebeurtenis inmiddels zijn overleden, maakt dat niet anders.

Uit het voorgaande vloeit voort dat het bestreden besluit de hier aan de orde zijnde terughoudende toetsing van de Raad kan doorstaan en het beroep van appellant ongegrond dient te worden verklaard.

De Raad acht, ten slotte, geen termen aanwezig om toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht inzake een vergoeding van proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door H.R. Geerling-Brouwer. De beslissing is, in tegenwoordigheid van J.P. Schieveen als griffier, uitgesproken in het openbaar op 9 januari 2008.

(get.) H.R. Geerling-Brouwer.

(get.) J.P. Schieveen.

HD