Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BC1980

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
11-01-2008
Datum publicatie
17-01-2008
Zaaknummer
06-887 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verlaging WAO-uitkering. Juistheid vastgestelde beperkingen en geselecteerde functies.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

06/887 WAO

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant],

tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Hertogenbosch van 29 december 2005, 04/3665 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 11 januari 2008

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. F.T.I. Oey, advocaat te Helmond, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend en in aanvulling daarop een rapportage van de bezwaarverzekeringsarts ingezonden.

Bij brief van 15 november 2007 is namens appellant een arbeidskundige rapportage, gedateerd 13 november 2007, ingezonden.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 30 november 2007, waar appellant met zijn gemachtigde is verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. J.J.C. Röttjers.

II. OVERWEGINGEN

De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak als haar oordeel gegeven dat het Uwv terecht en op goede gronden de naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100% berekende uitkering van appellant ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) met ingang van 18 juli 2004 heeft herzien naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 15 tot 25%. Zij heeft daartoe de juistheid onderschreven van het aan het bestreden besluit van 21 december 2004 ten grondslag liggende standpunt dat appellant, uitgaande van de door de verzekeringsarts ten aanzien van hem vastgestelde beperkingen, per 18 juli 2004 in staat was met de hem voorgehouden functies een zodanig inkomen te verdienen dat het verlies aan verdiencapaciteit ongeveer 21% bedraagt.

Appellant heeft zich - kort samengevat - op het standpunt gesteld dat zijn medische beperkingen zijn onderschat, dat onvoldoende onderzoek is verricht naar zijn rug- en psychische klachten en dat er aanleiding is om een onafhankelijke zenuwarts in te schakelen. Ter ondersteuning hiervan is verwezen naar de informatie uit de behandelende sector, waaronder de behandeling door psychiater dr. Gerards. Ten slotte is met een rapportage van registerarbeidsdeskundige E.H.M.J. Spanjers de geschiktheid van de geduide functies bestreden.

De Raad overweegt als volgt.

De Raad is van oordeel dat het medisch onderzoek door (bezwaar)verzekeringsartsen voldoende zorgvuldig is geweest en ziet met de rechtbank geen aanleiding om te twijfelen aan de juistheid van de door de verzekeringsarts vastgestelde beperkingen. De Raad stelt in dat kader vast dat de bezwaarverzekeringsartsen op basis van dossieronderzoek en informatie van behandelend zenuwarts B.J.M. Franssen, neuroloog J.J.M. Hagemans en de huisarts afdoende hebben gemotiveerd waarom zij geen aanleiding hebben gevonden om de beperkingen anders vast te stellen dan door de verzekeringsarts reeds is aangegeven. Nu door appellant geen medische gegevens van zijn behandelend psychiater in geding zijn gebracht, die aanleiding geven voor de veronderstelling dat sprake is van een ondeugdelijke medische oordeelsvorming, concludeert de Raad dat de medische grondslag van het bestreden besluit als juist kan worden aanvaard. Hierin ligt besloten dat de Raad geen aanleiding ziet om een deskundige in te schakelen.

De Raad heeft uitgaande van de juistheid van de vastgestelde belastbaarheid evenmin grond om ervan uit te gaan dat de voorgehouden functies voor appellant in medisch opzicht niet geschikt zouden zijn. De Raad neemt hierbij in aanmerking dat door de arbeidsdeskundigen genoegzaam is toegelicht waarom appellant in staat is geacht de geduide functies te vervullen en dat ter zitting door het Uwv afdoende is gereageerd op de bevindingen van registerarbeidsdeskundige Spanjers. Vastgesteld kan worden dat de herziening van de WAO-uitkering naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 15 tot 25% op goede gronden berust.

Het vorenstaande betekent dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

De Raad acht geen termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J.W. Schuttel. De beslissing is, in tegenwoordigheid van J.E.M.J. Hetharie als griffier, uitgesproken in het openbaar op 11 januari 2008.

(get.) J.W. Schuttel.

(get.) J.E.M.J. Hetharie.

JL