Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BC1979

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
02-01-2008
Datum publicatie
17-01-2008
Zaaknummer
06-3745 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking en terugvordering bijstandsuitkering. Overschrijding vermogensgrens. Schadevergoeding: vertragingsschade.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JWWB 2008, 54
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

06/3745 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 17 mei 2006, 05/1269 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Oudewater (hierna: College)

Datum uitspraak: 2 januari 2008

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. S.M. de Waard, advocaat te Utrecht, hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 20 november 2007. Appellant is in persoon verschenen, bijgestaan door mr. De Waard. Tevens is daar verschenen de door de appellant meegebrachte getuige [naam zuster], wonende te Utrecht en zuster van appellant. Het College heeft zich niet laten vertegenwoordigen.

II. OVERWEGINGEN

De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

Appellant ontving sinds 15 juli 2003 bijstand, laatstelijk ingevolgde de Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm voor een alleenstaande.

Naar aanleiding van gegevens van de Belastingdienst, waaruit blijkt dat appellant heeft beschikt over op zijn naam gestelde, niet opgegeven bankrekeningen, heeft het College een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan appellant verleende bijstand.

Op grond van de resultaten van dat onderzoek heeft het College bij besluit van

21 december 2004 de bijstand van appellant met ingang van 15 juli 2003 ingetrokken.

Bij besluit van 11 januari 2005 heeft het College de over de periode van 15 juli 2003 tot en met 30 november 2004 gemaakte kosten van bijstand tot een bedrag van € 15.179,86 van appellant teruggevorderd. Het College heeft aan deze besluiten ten grondslag gelegd dat appellant heeft verzwegen dat hij beschikt over banktegoeden tot een zodanig bedrag, dat daarmee de voor appellant geldende grens van het vrij te laten vermogen is overschreden.

Bij besluit van 12 april 2005 heeft het College het bezwaar tegen de besluiten van

21 december 2004 en 11 januari 2005 ongegrond verklaard.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank - met bepalingen omtrent proceskosten in beroep en griffierecht - het beroep tegen het besluit van 12 april 2005 gegrond verklaard, dat besluit vernietigd wegens een - deels - onjuiste juiste wettelijke grondslag en bepaald dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven.

Appellant heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen deze uitspraak gekeerd, voor zover hierbij de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand zijn gelaten. Hij heeft daartoe aangevoerd dat het College er ten onrechte van uit is gegaan dat de tegoeden op de bankrekeningen ook daadwerkelijk tot zijn vermogen konden worden gerekend. Deze gelden kwamen volgens appellant geheel toe aan zijn zuster, die de bankrekeningen waarop deze gelden stonden om fiscale redenen op naam van appellant had gezet. Voorts heeft hij gewezen op een afspraak met zijn zuster dat hij niet aan deze gelden zou komen. In het geval dat hij desondanks gelden zou opnemen, zou er sprake zijn van een schuld aan zijn zuster. Appellants zuster heeft dit als getuige ter zitting bevestigd. Voorts heeft hij verzocht om veroordeling van het College tot schadevergoeding (wettelijke rente).

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

Intrekking

De beoordeling van de intrekking door de bestuursrechter strekt zich in het onderhavige geval uit over de periode van 15 juli 2003 tot en met 21 december 2004 (datum van het primaire intrekkingsbesluit).

De Raad stelt eerst vast dat bij de aanvang van de bijstand op 15 juli 2003 een bankrekening bij de CVB bank met het nummer [nr.] en een bankrekening bij de SNS bank met het nummer [nr.] op naam van appellant stonden met een totaaltegoed van € 36.270,16. Uit de beschikbare gegevens leidt de Raad voorts af dat de rekening bij de CVB bank vanaf 6 augustus 2004 op naam van de zuster van appellant stond. De rekening bij de SNS bank is op 14 december 2004 opgeheven. Het eindtegoed van de laatstgenoemde rekening bedroeg € 13.159,13. Dit saldo is op laatstgenoemde datum overgeschreven naar een bankrekening van de zuster van appellant. Nu appellant tot 6 augustus 2004 respectievelijk 14 december 2004 rekeninghouder was van de bankrekeningen bij de CVB Bank respectievelijk SNS Bank, betekent dit dat hij tot evengenoemde data de gelden op die bankrekeningen feitelijk kon aanwenden ter voorziening in zijn levensonderhoud. Dat appellant van die mogelijkheid geen gebruik heeft gemaakt maakt dat niet anders. De verklaring van de zuster van appellant dat appellant niet aan deze gelden mocht komen acht de Raad onvoldoende om aan te kunnen nemen dat appellant niet over die gelden kon beschikken zolang hij rekeninghouder was. De Raad merkt daarbij nog op dat de gestelde afspraak met zijn zuster destijds niet schriftelijk door genoemde banken is vastgelegd en ook niet aan het College is gemeld.

Het vorenstaande betekent dat appellant wat betreft de periode dat de bankrekeningen op zijn naam hebben gestaan er niet in is geslaagd aan te tonen dat de daarop staande tegoeden niet tot zijn vermogen konden worden gerekend. Het College mocht er daarom van uitgaan dat de tegoeden in die periode een bestanddeel hebben gevormd van het vermogen van appellant. Mede gelet op de overige beschikbare gegevens acht de Raad het voldoende aannemelijk dat het in aanmerking te nemen vermogen hoger was de voor appellant toepasselijke vermogensgrens bedoeld in artikel 34, derde lid, onder a, van de WWB in de periode van 15 juli 2003 tot en met 13 december 2004. Er is echter geen grond om aan te nemen dat dit ook in het resterende deel van de beoordelingsperiode nog het geval was.

De Raad stelt vervolgens vast dat appellant de op hem van toepassing zijnde wettelijke inlichtingenverplichting heeft geschonden door de tegoeden op de betreffende rekeningen niet aan het College te melden en dat het College bevoegd was om met toepassing van artikel 54, derde lid, aanhef en onder a, van de WWB over te gaan tot intrekking van de bijstand over de periode van 15 juli 2003 tot en met 13 december 2004. Een tot die periode beperkte intrekking zou in overeenstemming zijn met het ter zake van intrekking door het College geformuleerde, door de Raad niet onredelijk geachte beleid. In hetgeen door appellant is aangevoerd ziet de Raad geen grond voor het oordeel dat het College, met overeenkomstige toepassing van artikel 4:84 (slot) van de Algemene wet bestuursrecht, van intrekking over de periode van 15 juli 2003 tot 13 december 2004 zou moeten afzien. De Raad zal wat de intrekking betreft zelf in de zaak voorzien door het besluit van 21 december 2004 te herroepen en te bepalen dat de intrekking beperkt dient te blijven tot de periode van 15 juli 2003 tot en met 13 december 2004.

Terugvordering

Met hetgeen hiervoor is overwogen is gegeven dat aan de voorwaarden voor toepassing van artikel 58, eerste lid, aanhef en onder a, van de WWB is voldaan, zodat het College bevoegd was tot terugvordering van de over de periode van 15 juli 2003 tot en met

30 november 2004 voor appellant gemaakte kosten van bijstand. Ter zake van de terugvordering heeft het College in overeenstemming met het door hem gehanteerde, door de Raad niet onredelijk geachte, beleid beslist. In hetgeen door appellant is aangevoerd ziet de Raad geen grond voor het oordeel dat het College, met overeenkomstige toepassing van artikel 4:84 (slot) van de Algemene wet bestuursrecht, geheel of gedeeltelijk van terugvordering had moeten afzien.

Schadevergoeding

Als gevolg van het door het College gehandhaafde besluit van 21 december 2004 heeft appellant vertragingsschade geleden voor zover niet tijdig algemene bijstand aan hem is betaald vanaf 14 december 2004. Op de gemeente Oudewater rust de verplichting die schade te vergoeden op de voet van de artikelen 6:119 en 6:120 van het Burgerlijk Wetboek. Als uitgangspunt geldt daarbij dat het juiste bedrag aan periodieke bijstand had moeten zijn betaald uiterlijk op de laatste dag van de maand volgend op de maand waarop die bijstand betrekking heeft. In dit geval is ten onrechte geen bijstand betaald over de periode van 14 tot en met 31 december 2004, zodat de eerste dag waarop over de niet tijdig betaalbaar gestelde bruto-uitkering over deze periode wettelijke rente is verschuldigd, dient te worden gesteld op 1 februari 2005, en over de daarop volgende maanden telkens een maand later. De aldus te berekenen rente zal alsnog moeten worden betaald tot aan de dag der algehele voldoening. Bij het voorgaande geldt dat telkens na afloop van een jaar het bedrag waarover de rente wordt berekend, dient te worden vermeerderd met de over dat jaar verschuldigde rente.

Kosten

De Raad ziet aanleiding om het College te veroordelen in de kosten van appellant in verband met het bezwaar tegen het besluit van 21 december 2004 en in hoger beroep.

Deze kosten worden begroot op € 1.288,-- in verband met het bezwaar voor verleende rechtsbijstand.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak voor zover daarbij de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit van 12 april 2005 geheel in stand zijn gelaten;

Herroept het besluit van 21 december 2004 en bepaalt dat de intrekking van de bijstand wordt beperkt tot de periode van 15 juli 2003 tot en met 13 december 2004;

Bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit van 12 april 2005 in stand worden gelaten voor zover daarbij het terugvorderingsbesluit van 11 januari 2005 is gehandhaafd;

Veroordeelt de gemeente Oudewater tot vergoeding van schade als hiervoor in rubriek II is aangegeven;

Veroordeelt het College in de kosten van appellant in bezwaar en in hoger beroep tot een bedrag van € 1.288,--, te betalen door de gemeente Oudewater aan de griffier van de Raad;

Bepaalt dat de gemeente Oudewater aan appellant het in hoger beroep betaalde griffierecht van € 105,-- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door G.A.J. van den Hurk als voorzitter en K. Zeilemaker en A.B.J. van der Ham als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van W. Altenaar als griffier, uitgesproken in het openbaar op 2 januari 2008.

(get.) G.A.J. van den Hurk.

(get.) W. Altenaar.

RB0401