Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BC1976

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
11-01-2008
Datum publicatie
17-01-2008
Zaaknummer
06-3556 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verlaging WAO-uitkering. Voldoende rekening gehouden met betrokkene's beperkingen?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

06/3556 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 10 mei 2006, 05/3578 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

[Betrokkene]

en

appellant.

Datum uitspraak: 11 januari 2008

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Mr. M. Koolhoven, werkzaam bij DAS rechtsbijstand te Amsterdam, heeft zich als gemachtigde gesteld voor betrokkene.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 oktober 2007. Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door M. Florijn. Betrokkene en haar gemachtigde zijn met voorafgaande kennisgeving niet verschenen.

II. OVERWEGINGEN

Betrokkene ontving sedert 7 november 2002 een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 25 tot 35%. Op 9 juni 2004 is namens betrokkene aan appellant bericht dat zij met ingang van 23 augustus 2003 toegenomen arbeidsongeschikt is. Nadat medisch en arbeidskundig onderzoek was verricht, waarbij op 9 februari 2005 een expertiserapport is uitgebracht door psychiater J. IJsselstein, heeft appellant bij besluit van 12 mei 2005 geweigerd de uitkering te verhogen, onder de overweging dat de arbeidsongeschiktheid sinds 23 augustus 2003 niet is toegenomen.

Bij besluit van eveneens 12 mei 2005 heeft appellant de uitkering met ingang van 11 juli 2005 herzien naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 15 tot 25%. Namens betrokkene is tegen beide besluiten van 12 mei 2005 bezwaar gemaakt. Bij besluit van 11 oktober 2005 heeft appellant dit bezwaar ongegrond verklaard.

Tegen het besluit van 11 oktober 2005 (hierna: het bestreden besluit) heeft betrokkene beroep ingesteld bij de rechtbank, waarbij zij een rapport van de psychiater J. Huisman van 28 maart 2006 in het geding heeft gebracht. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd en appellant opgedragen een nieuw besluit op bezwaar te nemen. Zij heeft bepalingen gegeven inzake proceskosten en het griffierecht. De rechtbank heeft de medische grondslag van het bestreden besluit onderschreven, maar was van oordeel dat de arbeidskundige grondslag onvoldoende is gemotiveerd. In het bijzonder is de rechtbank onvoldoende gebleken dat bij het selecteren van de functies rekening is gehouden met de in rubriek I,5 (doelmatig handelen) van de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 30 augustus 2005 opgenomen beperking dat betrokkene niet tijdig activiteiten start om het gestelde doel te bereiken. Deze beperking is afkomstig uit de rapportage van psychiater IJsselstein, die voorts heeft gesteld dat betrokkene vooral in de ochtenduren moeite heeft om op gang te komen. De door de bezwaararbeidsdeskundige in diens rapport van 10 oktober 2005 gegeven motivering dat de geduide functies ook in de middag kunnen worden uitgeoefend acht de rechtbank ondeugdelijk omdat voor het merendeel voltijdse functies zijn geduid.

Appellant kan zich niet met de aangevallen uitspraak verenigen en heeft in hoger beroep een rapportage van de bezwaarverzekeringsarts van 26 mei 2006 overgelegd en ook een rapportage van de bezwaararbeidsdeskundige van 19 juni 2006, waarin de beperking op het onderdeel “doelmatig handelen” nader wordt toegelicht.

Het gaat in dit geding om de beantwoording van de vraag of de aangevallen uitspraak in rechte stand kan houden. De Raad beantwoordt deze vraag ontkennend en overweegt daartoe het volgende.

Appellant heeft naar het oordeel van de Raad voldoende duidelijk gemaakt dat de beperking “start niet tijdig activiteiten om het gestelde doel te bereiken” betrekking heeft op het functioneren van betrokkene in de werksituatie en dus niet zozeer op de moeite die zij heeft om ’s ochtends op gang te komen en het werk tijdig te bereiken. Betrokkene heeft niet weersproken dat zij heeft bewezen haar dagelijks leven in zekere mate te kunnen structureren en dat zij bijvoorbeeld een wekker kan gebruiken; uit de Arbeidsmogelijkhedenlijst van 10 oktober 2005 blijkt verder dat alle geduide functies in deeltijd in de namiddag kunnen worden uitgeoefend. Hiermee zijn ook naar het oordeel van de Raad de startproblemen van betrokkene in de ochtenduren voldoende ondervangen.

Uit de rapportages van de psychiaters IJsselstein en Huisman komt naar voren dat betrokkene in verband met haar beperking op het gebied van doelmatig handelen is aangewezen op een gestructureerde werksituatie. De Raad is niet kunnen blijken dat deze beperking met de in rubriek I.9 van de FML opgenomen voorwaarden onvoldoende is geconcretiseerd. Evenmin is de Raad gebleken dat bij het selecteren van de geduide functies hiermee onvoldoende rekening is gehouden. Het gaat immers in alle gevallen om functies waarin wordt gewerkt onder directe leiding, waarin de mogelijkheid tot persoonlijke invulling minimaal is en waarin de arbeid voorspelbaar is en goed afgebakend van aard. De Raad is van oordeel dat van de zijde van appellant in voldoende mate is toegelicht dat de geduide functies de beperkingen van betrokkene niet te boven gaan.

Uit het vorenstaande vloeit voort dat het hoger beroep slaagt. De aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, kan niet in stand blijven. Het inleidend beroep van betrokkene moet alsnog ongegrond worden verklaard.

De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten;

Verklaart het inleidend beroep ongegrond.

Aldus gegeven door D.J. van der Vos als voorzitter en J. Riphagen en C.P.M. van de Kerkhof als leden, in tegenwoordigheid van W.R. de Vries als griffier en uitgesproken in het openbaar op 11 januari 2008.

(get.) D.J. van der Vos.

(get.) W.R. de Vries.

MR