Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BC1975

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
09-01-2008
Datum publicatie
17-01-2008
Zaaknummer
06-2540 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

WAO-schatting. Niet alleen de toepassing van artikel 37, tweede lid, van de WAO maar ook die van artikel 39a van die wet berust op een onvoldoende deugdelijke motivering.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

06/2540 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellante] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Hertogenbosch van 31 maart 2006, 04/2760 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 9 januari 2008

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. H.W. Bemelmans, advocaat te Nijmegen, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 28 november 2007. Appellante is niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. W.M.J. Evers.

II. OVERWEGINGEN

Appellante, die voorheen werkzaam was als verkoopster/administratrice, is in 1986 uitgevallen in verband met psychische klachten. Appellante ontvangt vanaf 1987 een uitkering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO). Met ingang van 22 oktober 1996 is de uitkering, die voordien was berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%, vastgesteld naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 15 tot 25%. Met ingang van diezelfde datum heeft appellante een uitkering ingevolge de Werkloosheidswet (WW) ontvangen. Die uitkering is per

22 april 2001 beëindigd.

In februari 2004 heeft appellante het spreekuur van de verzekeringsarts bezocht. In zijn rapportage van 19 februari 2004 heeft de verzekeringsarts overwogen dat sprake is van subjectieve verergering van de klachten van appellante maar geen sprake van afname van haar functionele mogelijkheden. Voorts stelt de verzekeringsarts dat een mogelijke afname van de belastbaarheid van appellante niet binnen vijf jaar na de laatste herziening heeft plaatsgevonden (Amber-tijdvak) en dat appellante na beëindiging van de WW-uitkering niet meer verzekerd was. Bij besluit van 15 maart 2004 heeft het Uwv de uitkering van appellante ongewijzigd vastgesteld naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 15 tot 25%.

De bezwaarverzekeringsarts heeft zich in zijn rapportage van 5 augustus 2004 verenigd met de conclusies van de verzekeringsarts. De bezwaarverzekeringsarts heeft het onwaarschijnlijk geacht dat een toename van de klachten binnen vijf jaar na 22 oktober 1996 heeft plaatsgevonden. Bij het besluit van 13 augustus 2004 (bestreden besluit) is het bezwaar tegen het besluit van 15 maart 2004 ongegrond verklaard.

Bij de aangevallen uitspraak is het beroep gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd en is bepaald dat de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand blijven. Daarbij is voorts het verzoek om schadevergoeding afgewezen, het Uwv veroordeeld in de proceskosten en is bepaald dat het griffierecht aan appellante wordt vergoed.

Het hoger beroep is gericht tegen de instandlating van de rechtsgevolgen van het bestreden besluit.

Ter zitting heeft de gemachtigde van het Uwv het standpunt ingenomen dat de rechtsgevolgen van het bestreden besluit ten onrechte in stand zijn gelaten, omdat in strijd met artikel 37, tweede lid, van de WAO - en de uitleg van die bepaling in de vaste jurisprudentie van de Raad - niet mede aan de hand van arbeidskundig onderzoek is vastgesteld of sprake is van toegenomen arbeidsongeschiktheid.

De Raad stelt vast dat het bestreden besluit derhalve niet op een deugdelijke motivering berust en de rechtsgevolgen van het bestreden besluit ten onrechte in stand zijn gelaten. Het Uwv zal een nieuw besluit op het bezwaar moeten nemen met betrekking tot de toepassing van artikel 37, tweede lid, van de WAO. De Raad tekent hierbij aan dat hij zich geheel kan vinden in de weergave van zijn jurisprudentie door de gemachtigde van het Uwv ter zitting.

De Raad is - anders dan het Uwv - van oordeel dat niet alleen de toepassing van artikel 37, tweede lid, van de WAO maar ook die van artikel 39a van die wet op een onvoldoende deugdelijke motivering berust.

De Raad overweegt daartoe dat de per 22 oktober 1996 vastgestelde (resterende) arbeidsongeschiktheid verband hield niet alleen met psychische maar ook met lichamelijke klachten van appellante. In de rapportages van de (bezwaar)verzekeringsartsen die aan het bestreden besluit ten grondslag liggen, is niet ingegaan op de zich in het dossier bevindende informatie van artsen die appellante hebben onderzocht, onder wie vier neurologen, een KNO-arts en een orthopedisch chirurg, daterend van januari 2001 tot april 2003. De conclusie van de (bezwaar)verzekeringsarts dat geen sprake is van afname van de functionele mogelijkheden is naar het oordeel van de Raad niet deugdelijk gemotiveerd.

Voorts overweegt de Raad dat een deel van de genoemde informatie dateert van, dan wel betrekking heeft op de periode vóór 22 april 2001 (beëindiging van de WW-uitkering) of vóór 22 oktober 2001 (einde van het Amber-tijdvak). De conclusie van de (bezwaar)verzekeringsarts dat de eventuele afname van de mogelijkheden niet gelegen was in het Amber-tijdvak of in de periode dat appellante ingevolge de WW-uitkering verzekerd was, is derhalve eveneens niet deugdelijk gemotiveerd.

De Raad heeft verder geconstateerd dat de (bezwaar)verzekeringsarts geen zogeheten Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) heeft opgesteld en evenmin verwezen heeft naar een eventuele eerdere, nog geldende, FML.

Anders dan de rechtbank is de Raad van oordeel dat beoordeling van de mate van arbeidsongeschiktheid naar het tijdstip waarop de wachttijd van 52 weken is verstreken (nog) niet aan de orde is. Eerst indien sprake is van wijziging van de mate van arbeidsongeschiktheid, dient het Uwv vast te stellen per welke datum appellante voor de hogere of lagere uitkering in aanmerking komt.

Het voorgaande leidt ertoe dat de aangevallen uitspraak, voor zover daarbij de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand zijn gelaten, voor vernietiging in aanmerking komt.

Het verzoek van appellante om vergoeding van wettelijke rente komt thans niet voor toewijzing in aanmerking, omdat nadere besluitvorming noodzakelijk is. Het Uwv zal bij zijn nadere besluitvorming tevens aandacht dienen te besteden aan de vraag of en, zo ja, in hoeverre er termen zijn om renteschade te vergoeden.

De Raad acht termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellante in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 322,- voor verleende rechtsbijstand in hoger beroep.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten;

Bepaalt dat de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen een nieuw besluit op bezwaar neemt met inachtneming van deze uitspraak van de Raad;

Veroordeelt de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen in de proceskosten van appellante in hoger beroep tot een bedrag groot € 322,-, te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen;

Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan appellante het betaalde griffierecht van € 103,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door Ch. van Voorst als voorzitter en M.C.M. van Laar en

J.F. Bandringa als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van E.M. de Bree als griffier, uitgesproken in het openbaar op 9 januari 2008.

(get.) Ch. van Voorst.

(get.) E.M. de Bree.

JL