Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BC1971

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
09-01-2008
Datum publicatie
17-01-2008
Zaaknummer
07-828 WUBO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Weigering erkenning als burgeroorlogsslachtoffer en weigering WUBO-uitkering. Blijvende invaliditeit als gevolg van oorlogsgeweld?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

07/828 WUBO

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

[Appellant]

en

de Raadskamer WUBO van de Pensioen- en Uitkeringsraad (hierna: verweerster)

Datum uitspraak: 9 januari 2008

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft beroep ingesteld tegen een door verweerster onder dagtekening 19 december 2006, kenmerk JZ/A70/2006, ten aanzien van hem genomen besluit ter uitvoering van de Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940-1945 (hierna: de Wet).

Verweerster heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 8 november 2007. Daar is appellant in persoon verschenen en verweerster heeft zich, zoals bericht, niet laten vertegenwoordigen.

II. OVERWEGINGEN

Blijkens de gedingstukken heeft appellant, geboren in 1938, in november 2001 bij verweerster een aanvraag ingediend om te worden erkend als burger-oorlogsslachtoffer in de zin van de Wet en als zodanig in aanmerking te worden gebracht voor een periodieke uitkering. Die aanvraag heeft appellant gebaseerd op gezondheidsklachten die hij in verband brengt met zijn oorlogservaringen tijdens de Duitse bezetting. Verweerster heeft de aanvraag afgewezen bij besluit van 5 juni 2002, zoals na gemaakt bezwaar gehand-haafd bij het besluit van 31 oktober 2002, op de grond dat appellant weliswaar is getroffen door oorlogsgeweld in de zin van artikel 2, eerste lid, van de Wet, maar dat niet is voldaan aan de ingevolge de Wet tevens geldende eis dat sprake is van lichamelijk en/of psychisch letsel tengevolge van het ondervonden oorlogsgeweld leidend tot blijvende invaliditeit. In dat verband heeft verweerster overwogen - voor zover hier van belang - dat de door appellant gemelde psychische klachten niet in verband kunnen worden gebracht met het ondervonden oorlogsgeweld.

In januari 2006 heeft appellant op grond van toename van zijn psychische klachten bij verweerster een hernieuwde aanvraag ingediend om in aanmerking te komen voor - onder meer - een periodieke uitkering in het kader van de Wet.

Verweerster heeft die aanvraag afgewezen bij besluit van 10 mei 2006, zoals na gemaakt bezwaar gehandhaafd bij het thans bestreden besluit, op de grond - samengevat - dat bij appellant geen sprake is van blijvende invaliditeit in de zin van de Wet ten gevolge van op dat oorlogsgeweld terug te voeren psychische klachten.

In beroep heeft appellant de juistheid van het bestreden besluit betwist. In dat verband heeft appellant aangegeven dat het onderzoek van de geneeskundig adviseur van de Pensioen- en Uitkeringsraad niet volledig is geweest en de bij hem bestaande psychische klachten en daarmee gepaard gaande beperkingen onderbelicht zijn gebleven.

De Raad dient antwoord te geven op de vraag of het bestreden besluit, gelet op hetgeen partijen in beroep hebben aangevoerd, in rechte kan standhouden. Dienaangaande overweegt de Raad als volgt.

Blijkens de gedingstukken is het standpunt van verweerster in overeenstemming met adviezen van een tweetal geneeskundig adviseurs van de Pensioen- en Uitkeringsraad, welke adviezen berusten op een, door een van deze geneeskundig adviseurs, de arts G.J. Laatsch, bij appellant verricht medisch onderzoek. Uit genoemd rapport komt naar voren dat er bij appellant sprake is van psychische klachten (enkele PTSS-kenmerken) welke in verband staan met het ondergane oorlogsgeweld, maar tevens dat de met deze klachten gepaard gaande beperkingen zodanig gering zijn dat er niet gesproken kan worden van invaliditeit in de zin van de Wet.

Anders dan door appellant in beroep en tijdens het verhandelde ter zitting is aangevoerd acht de Raad het in het bestreden besluit neergelegde standpunt van verweerster naar behoren voorbereid en gemotiveerd. Hierbij neemt de Raad in aanmerking dat de arts Laatsch in zijn rapport aan de psychiatrische anamnese en het dagelijks functioneren van appellant uitgebreid aandacht heeft besteed. Voorts heeft de Raad in de voorhanden medische gegevens geen aanknopingspunt kunnen vinden om te twijfelen aan de volledigheid van het onderzoek door de arts Laatsch dan wel aan diens bevindingen en conclusies. Onder deze omstandigheden bestaat evenmin aanleiding tot het doen instellen van een nader psychiatrisch onderzoek.

Appellant heeft voorts nog naar voren gebracht dat het onderzoek van de arts Laatsch slechts ziet op een momentopname en naar zijn gevoelen te kort heeft geduurd om een goed beeld te krijgen van de bij hem bestaande psychische problematiek en de daaruit voortvloeiende beperkingen. De Raad kan appellant in deze opvatting niet volgen. Naar zijn oordeel moet een geneeskundig adviseur van de Pensioen- en Uitkeringsraad geacht worden over voldoende specifieke kennis en ervaring te beschikken om ook in een door een betrokkene als kort ervaren onderzoek tot een juist oordeel te komen. Medische gegevens, die er op wijzen dat het in het geval van appellant anders zou zijn, zijn niet voorhanden.

Gezien het voorgaande kan het besluit in rechte standhouden en dient het beroep van appellant ongegrond te worden verklaard.

De Raad acht, ten slotte, geen termen aanwezig om toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht inzake een vergoeding van proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door H.R. Geerling-Brouwer. De beslissing is, in tegenwoordigheid van J.P. Schieveen als griffier, uitgesproken in het openbaar op 9 januari 2008.

(get.) H.R. Geerling-Brouwer.

(get.) J.P. Schieveen.

HD