Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BC1969

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
11-01-2008
Datum publicatie
17-01-2008
Zaaknummer
06-3848 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering WAO-uitkering, aangezien betrokkene niet verzekerd was ingevolge de WAO.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

06/3848 WAO

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant],

tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 23 mei 2006, 05/5664 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 11 januari 2008

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. W.H. van Zundert, advocaat te Rotterdam, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 30 november 2007, waar namens appellant zijn gemachtigde is verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M.K. Dekker.

II. OVERWEGINGEN

De Raad verwijst voor de in dit geding relevante feiten naar de aangevallen uitspraak.

In dit geding is de vraag aan de orde of de aangevallen uitspraak waarin het beroep van appellant tegen het besluit van het Uwv van 12 oktober 2005, hierna: het bestreden besluit, ongegrond is verklaard, in rechte stand kan houden.

Bij het bestreden besluit heeft het Uwv zijn besluit van 25 maart 2004 gehandhaafd, strekkende tot de weigering van een uitkering aan appellant ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) omdat hij niet is verzekerd op grond van artikel 3, derde lid, van die wet.

De Raad beantwoordt die vraag bevestigend en verwijst hiertoe naar de door de Raad op 27 juli 2006 tussen partijen gewezen uitspraak in de zaak 05/21 WW, waarin de Raad de ook in deze procedure partijen verdeeld houdende rechtvraag inzake de verzekeringsplicht van appellant – zij het in die procedure in het kader van de Werkloosheidswet – reeds heeft beantwoord. Niet is kunnen blijken van enig aanknopingspunt dat het door de Raad in evengenoemde uitspraak neergelegde oordeel thans niet langer juist te achten. Naar aanleiding van de van de zijde van appellant naar voren gebrachte overige beroepsgronden overweegt de Raad nog het volgende.

Allereerst is de Raad van oordeel dat appellant ten aanzien van de ter zitting van de rechtbank overgelegde gedingstukken niet in zijn procesbelangen is geschaad, nu appellant ter zitting de gelegenheid heeft gehad te reageren op deze stukken en door het Uwv overigens nog is gesteld dat dit stukken betrof die appellant bekend waren uit eerdere en parallelle procedures.

Ten aanzien van het standpunt van appellant dat het Uwv ten onrechte niet heeft onderzocht of appellant voor aanvang van zijn ziekte kenbaar is gemaakt dat de WAO-uitkering is beëindigd, onderschrijft de Raad het oordeel van de rechtbank. Er bestond voor het Uwv geen noodzaak zich uit te laten over de vraag of de arbeidsongeschiktheid is aangevangen tussen 1 juli 1998 en het moment dat appellant de wijziging van zijn rechtspositie heeft vernomen, nu feitelijk niet is gebleken dat appellants vóór 1 juli 1998 aangevangen dienstbetrekking tot aan de datum van aanvang van arbeidsongeschiktheid is gecontinueerd en appellant ten tijde in geding niet verzekerd was ingevolge de WAO.

Ten slotte faalt ook de beroepsgrond van appellant dat voorafgaande aan het nemen van het bestreden besluit appellant niet opnieuw is gehoord. De Raad maakt het dienaangaande door de rechtbank gegeven oordeel eveneens tot het zijne. Het Uwv heeft zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat opnieuw horen van appellant uit oogpunt van zorgvuldigheid niet noodzakelijk was, nu bij het nemen van het bestreden besluit sprake is geweest van dezelfde feiten waarover appellant zich tijdens een eerdere hoorzitting reeds had uitgelaten. Schending van artikel 7:2 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) heeft zich in onderhavige situatie niet voorgedaan.

Het vorenstaande leidt de Raad tot de slotsom dat de aangevallen uitspraak bevestigd dient te worden.

De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Awb.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J.W. Schuttel. De beslissing is, in tegenwoordigheid van J.E.M.J. Hetharie als griffier, uitgesproken in het openbaar op 11 januari 2008.

(get.) J.W. Schuttel.

(get.) J.E.M.J. Hetharie.

JL