Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BC1966

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
11-01-2008
Datum publicatie
17-01-2008
Zaaknummer
06-2014 WAZ
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Herhaalde aanvraag WAZ-uitkering. Geen sprake van nieuwe feiten of omstandigheden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

06/2014 WAZ

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Leeuwarden van 21 februari 2006, 05/731 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 11 januari 2008

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. D. van der Wal, advocaat te Buitenpost, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 16 november 2007. Namens appellant is bovengenoemde gemachtigde verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door P.J. Langius.

II. OVERWEGINGEN

Naar tussen partijen niet in geschil is, was appellant, destijds zelfstandig autosloper, in 1986 betrokken bij een ernstig auto-ongeval. Daarna is hij last blijven houden van de gevolgen van een zware hersenschudding en van klachten van psychische aard. In verband daarmee is appellant een uitkering ingevolge de Algemene arbeidsongeschiktheidswet toegekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van

45 tot 55%. In 1990 is door de rechtsvoorganger van het Uwv bepaald dat diens mate van arbeidsongeschiktheid moet worden gesteld op minder dan 25%. In 2002 is appellant, die inmiddels werkzaam was als zelfstandig in- en verkoper van auto’s, opnieuw beoordeeld, ditmaal in het kader van de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen (WAZ). Na rapportage van 29 november 2002 door de arts mevr. E. Panhuis, die de op dat moment bestaande beperkingen van appellant heeft vastgelegd in een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML), en na arbeidskundig onderzoek heeft het Uwv bij besluit van 20 december 2002 aan appellant bericht, dat hem per 12 december 2002 geen

WAZ-uitkering wordt toegekend omdat diens mate van arbeidsongeschiktheid wordt gesteld op minder dan 25%. Appellant heeft geen rechtsmiddelen aangewend tegen dit besluit.

Op of omstreeks 4 mei 2004 heeft appellant opnieuw een aanvraag gedaan voor het ontvangen van WAZ-uitkering, daarbij (kennelijk) stellend dat hij sedert december 2002 wel in aanmerking had dienen te komen voor een uitkering ingevolge de WAZ. Ter ondersteuning daarvan heeft hij gewezen op brieven/rapporten van F.H. de Vries en A.M. Boonstra, revalidatie-artsen. De verzekeringsarts W. le Grand heeft in zijn rapport van

12 augustus 2004 vastgesteld dat er geen aanleiding bestaat om de beperkingen van appellant anders in te schatten dan is gedaan bij het onderzoek van november 2002. Het Uwv heeft bij besluit van 15 september 2004 de aanvraag van appellant afgewezen omdat geen sprake is van nieuwe feiten of omstandigheden die aanleiding geven om terug te komen op het besluit van 20 december 2002.

Het namens appellant tegen dit besluit gemaakte bezwaar heeft het Uwv, nadat

L.J. Zwemer, bezwaarverzekeringsarts, op 11 april 2005 rapport had uitgebracht, bij besluit van 12 april 2005 (hierna: het bestreden besluit) ongegrond verklaard. Daarbij is verwezen naar het bepaalde in artikel 4:6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

Het namens appellant tegen het bestreden besluit ingestelde beroep heeft de rechtbank bij aantekening mondelinge uitspraak ongegrond verklaard.

Namens appellant is in hoger beroep met name gesteld dat diens medische situatie wel degelijk in de jaren 2001/2002 slechter was dan door het Uwv is aangenomen, waarbij hij heeft verwezen naar eerder genoemde rapporten van de artsen De Vries en Boonstra.

De Raad is van oordeel dat het hoger beroep niet slaagt

Door appellant zijn geen nieuwe feiten of omstandigheden naar voren gebracht ten opzichte van hetgeen al bij het Uwv bekend was of kon zijn. Uit de door appellant in geding gebrachte brieven en rapporten komt geen wezenlijk ander beeld naar voren met betrekking tot diens medische situatie dan de artsen van het Uwv - uitgaande van de datum in geding - voor ogen hadden. Het Uwv heeft dan ook in redelijkheid gebruik kunnen maken van de bevoegdheid om de aanvraag van appellant met toepassing van artikel 4:6 van de Awb af te wijzen.

Dat medio 2005 een ernstige ziekte bij appellant is vastgesteld maakt dit niet anders, nu op geen enkele wijze is gebleken, dat appellant in verband daarmee reeds in de jaren 2001/2002 beperkingen ondervond, laat staan zodanige beperkingen dat van een mate van arbeidsongeschiktheid van 25% of meer sprake was.

Het voorgaande betekent dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

Voor een veroordeling van een der partijen in de proceskosten ziet de Raad geen aanleiding.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door D.J. van der Vos als voorzitter en J. Riphagen en

A.T. de Kwaasteniet als leden. De beslissing is in tegenwoordigheid van M. Gunter als griffier, in het openbaar uitgesproken op 11 januari 2008.

(get.) D.J. van der Vos.

(get.) M. Gunter.

MK