Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BC1960

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
09-01-2008
Datum publicatie
17-01-2008
Zaaknummer
06-1276 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

WAO-schatting. Vastgestelde beperkingen. Geschiktheid geselecteerde functies.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

06/1276 WAO

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 19 januari 2006, 05/3624 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 9 januari 2008

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. M.J.G. Voets, advocaat te Arnhem, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 28 november 2007. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. J.A. van Ham, opvolgend gemachtigde en advocaat te Veenendaal. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door J. de Graaf.

II. OVERWEGINGEN

Bij besluit van 2 december 2004 heeft het Uwv de uitkering van appellant ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), welke laatstelijk werd berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%, met ingang van 3 februari 2005 ingetrokken onder de overweging dat de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant met ingang van laatstgenoemde datum minder dan 15% was.

Bij het besluit op bezwaar van 22 augustus 2005, hierna: bestreden besluit, heeft het Uwv het bezwaar tegen het besluit van 2 december 2004 gegrond verklaard en de arbeidsongeschiktheidsuitkering van appellant per 3 februari 2005 herzien naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 15 tot 25%. Dit besluit berust op het standpunt dat appellant op 3 februari 2005, de in geding zijnde datum, weliswaar beperkingen ondervond bij het verrichten van arbeid, maar dat hij met inachtneming van die beperkingen geschikt was voor werkzaamheden verbonden aan de door de arbeidsdeskundige geselecteerde functies. Vergelijking van de loonwaarde van de middelste van de drie functies met de hoogste lonen met het voor hem geldende maatmaninkomen resulteert volgens het Uwv in een verlies aan verdiencapaciteit van 22,5%.

De rechtbank heeft in de aangevallen uitspraak de medische en arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit onderschreven.

Namens appellant is in hoger beroep naar voren gebracht dat hij als gevolg van een veelheid van medische klachten meer beperkt is dan de Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) van 7 oktober 2004 weergeeft.

De Raad stelt vast dat dit standpunt van appellant, in vergelijking met de stellingname van appellant in eerste aanleg, geen nieuwe gezichtspunten oplevert. Hetgeen namens appellant is aangevoerd heeft de Raad niet tot een ander oordeel gebracht dan het in de aangevallen uitspraak neergelegde oordeel van de rechtbank. Hierin ligt besloten dat ook de Raad geen aanleiding ziet tot het instellen van een nader medisch onderzoek.

De Raad merkt daarbij nog op dat de beschikbare gegevens voldoende informatie bevatten omtrent de gezondheidstoestand van appellant op de in geding zijnde datum om tot een verantwoord oordeel te komen. Aan de eigen, in hoger beroep niet met medische gegevens betreffende de datum in geding onderbouwde mening van appellant met betrekking tot zijn gezondheidstoestand kan de Raad niet dat gewicht toekennen dat (de gemachtigde van) appellant daaraan gehecht wil zien. De Raad neemt daarbij in aanmerking dat de brief van de psychiater G.J. Hendriks van 9 maart 2005 ziet op de behandelperiode van 6 februari 2001 tot 21 mei 2002, dus ruim voor de in geding zijnde datum 3 februari 2005 en overigens melding maakt van een milde psychopathologie.

Wat betreft de arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit sluit de Raad zich aan bij de overweging van de rechtbank in de aangevallen uitspraak en maakt deze tot de zijne.

Uit het voorgaande volgt dat de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant ingevolge de WAO ingaande 3 februari 2005 terecht en op goede gronden is vastgesteld in de klasse van 15 tot 25%.

De aangevallen uitspraak komt derhalve voor bevestiging in aanmerking.

Tot slot acht de Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door M.S.E. Wulffraat-van Dijk. De beslissing is, in tegenwoordigheid van J. Verrips als griffier, uitgesproken in het openbaar op 9 januari 2008.

(get.) M.S.E. Wulffraat-van Dijk.

(get.) J. Verrips.

JL