Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BC1954

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
08-01-2008
Datum publicatie
17-01-2008
Zaaknummer
05-7424 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Herziening WAO-uitkering. Toepassing art. 44 WAO. Terugvordering.

Wetsverwijzingen
Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering 44
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

05/7424 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Breda van 18 november 2005, 05/231 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 8 januari 2008

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. A.M.C.J. Dekkers, advocaat te Roosendaal, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 20 november 2007. Appellant en zijn gemachtigde zijn daarbij, met bericht, niet verschenen. Het Uwv heeft zich doen vertegenwoordigen door mr. I.M. de Groot.

II. OVERWEGINGEN

Appellant, geboren in 1946, was sedert januari 1996 in het genot van een uitkering in het kader van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), welke met ingang van 25 augustus 1998 werd berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. Nadat bij het Uwv een tip en informatie was binnengekomen dat appellant werkzaamheden verrichtte, is een onderzoek uitgevoerd waarbij appellant op

6 augustus en 21 november 2003 is verhoord. De resultaten van het onderzoek zijn neergelegd in een Rapport Uitkeringsfraude van 22 januari 2004. Vastgesteld werd onder meer dat appellant door tussenkomst van een door hem opgerichte stichting werkzaamheden verrichtte voor een coöperatieve vereniging van bakkers. Voor die werkzaamheden werden facturen gezonden aan de leden van die vereniging. Op grond van die bevindingen heeft het Uwv vier besluiten genomen. Bij het eerste besluit, van

16 juni 2004, heeft het Uwv de WAO-uitkering van appellant per 4 december 2000 herzien naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 65 tot 80%. Bij het tweede besluit, van 17 juni 2004, is deze WAO-uitkering per 1 augustus 2001 herzien naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 55 tot 65%. Bij het derde besluit, van 18 juni 2004, is deze uitkering onder toepassing van artikel 44 van de WAO over de maand mei 2002 niet tot uitbetaling gekomen. Ten slotte is bij een vierde besluit, eveneens van 18 juni 2004, later gewijzigd bij besluit van 2 juli 2004, de onverschuldigd betaalde uitkering over de periode van 4 december 2000 tot en met 30 juni 2004, zijnde een bedrag van € 33.017,40 van appellant teruggevorderd.

Appellant heeft tegen deze besluiten bezwaar gemaakt. Bij het thans bestreden besluit van 20 december 2004 heeft het Uwv dat bezwaar ongegrond verklaard. Kort gezegd heeft het Uwv daartoe overwogen dat de werkzaamheden die appellant verrichte passend waren en dat het werk zowel fysiek als psychisch niet belastend was. Het Uwv heeft de door appellant verrichtte werkzaamheden niet aangemerkt als vrijwilligerswerk omdat er sprake was van een aantoonbare loonwaarde en economische betekenis van het werk.

Appellant heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld, welk beroep bij de aangevallen uitspraak ongegrond is verklaard. De rechtbank volgde daarbij het standpunt van het Uwv dat er geen sprake was van vrijwilligerswerk maar dat er sprake was van arbeid die in het economisch verkeer wordt verricht en waarmee het verkrijgen van enig geldelijk voordeel wordt beoogd of volgens de in het maatschappelijk verkeer geldende normen kan worden verwacht. De rechtbank was voorts van oordeel dat de werkzaamheden alleen aan appellant konden worden toegerekend en niet aan diens vrouw of dochter. Daarbij achtte de rechtbank ten opzichte van latere verklaringen doorslaggevend hetgeen appellant en zijn echtgenote in het kader van het hiervoor vermelde onderzoek hebben verklaard. Met het Uwv was de rechtbank van oordeel dat de werkzaamheden passend waren.

In hoger beroep heeft appellant zijn eerdere stellingen herhaald en betoogd dat het ging om vrijwilligerswerk en dat hij geen geldelijk voordeel heeft genoten. De gelden vloeiden volgens appellant niet in diens privé vermogen, maar in de stichting [stichting] (hierna: de stichting) waarvan ook diens vrouw en dochter bestuurslid waren. Volgens appellant verrichtten zij ook diverse werkzaamheden voor de stichting. Ten slotte stelt appellant dat hij wel een medische onderbouwing van zijn bezwaren heeft gegeven.

De Raad oordeelt als volgt.

De Raad volgt appellant niet in zijn stellingen. De Raad onderschrijft het oordeel van de rechtbank aangaande het vrijwilligerswerk en verwijst naar de vaste jurisprudentie van de Raad dat werkzaamheden zoals door appellant verricht, kunnen worden gekwalificeerd als arbeid in het economisch verkeer met welke arbeid in het algemeen wordt beoogd geldelijk voordeel te verkrijgen. Zoals de rechtbank voorts met juistheid heeft overwogen heeft appellant wel degelijk geldelijk voordeel van zijn werkzaamheden genoten, nu de inkomsten die daaruit voortvloeiden op een zodanige wijze in de door hem opgerichte stichting werden ondergebracht dat hij in staat werd gesteld om zijn hobby, het geven van kooklessen, uit te oefenen. Bovendien heeft appellant bij het verhoor op 6 augustus 2003 verklaard dat hij het vermogen van de stichting wil aanwenden voor het schrijven van een boek over koken. Er is voorts geen reden om het aan appellant toegerekende bedrag voor onjuist te houden. In een geval als het onderhavige gaat het immers niet alleen om hetgeen een betrokkene rechtens toekomt, maar evenzeer om hetgeen een betrokkene bij gebreke van verifieerbare gegevens, gezien het geheel van de zich voordoende feiten en omstandigheden, als met zijn werkzaamheden overeenkomende loonwaarde aan inkomen uit arbeid al dan niet schattenderwijs kan worden toegerekend. Het is de Raad niet gebleken dat het Uwv in casu bij die toerekening een verkeerde maatstaf heeft gehanteerd. Appellant heeft daarbij niet duidelijk kunnen maken om welke reden de aanslag ingevolge de vennootschapsbelasting tot gevolg zou moeten hebben dat de door Uwv gehanteerde berekening onjuist is.

De Raad volgt appellant ten slotte niet in zijn stelling ten aanzien van de medische onderbouwing van zijn bezwaren tegen de passendheid van de werkzaamheden. Het gestelde betreffende zijn medische beperkingen is slechts in zeer algemene termen vervat en zonder enige verdere aanduiding van een reden waarom appellant op medische gronden niet in staat zou zijn geweest de betreffende werkzaamheden te verrichten. Die stelling is voorts niet in overeenstemming met het door appellant in het hoger beroepschrift neergelegde standpunt dat de betreffende werkzaamheden op enig moment wel passend zijn geweest. De Raad ziet dan ook geen aanleiding voor de conclusie dat het Uwv niet kon vaststellen dat appellant in staat kon worden geacht de betreffende werkzaamheden in de periode in geding te verrichten.

Het hoger beroep slaagt derhalve niet. De aangevallen uitspraak komt voor bevestiging in aanmerking. Voor een proceskostenveroordeling op grond van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht bestaat geen aanleiding.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door C.W.J. Schoor als voorzitter en H.G. Rottier en E. Dijt als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M. Gunter als griffier, uitgesproken in het openbaar op 8 januari 2008.

(get.) C.W.J. Schoor.

(get.) M. Gunter.

CVG