Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BC1951

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
11-01-2008
Datum publicatie
16-01-2008
Zaaknummer
06-2015 WAZ
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verzoek om terug te komen van eerder besluit tot weigering toekenning WAZ-uitkering.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

06/2015 WAZ

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Leeuwarden van 21 februari 2006, 05/1514 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 11 januari 2008

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. D. van der Wal, advocaat te Buitenpost, hoger beroep ingesteld.

De Raad heeft bij brief van 29 augustus 2007 enkele vragen aan het Uwv gesteld, welke het Uwv bij schrijven van 17 september 2007 heeft beantwoord vergezeld van een rapport van 11 september 2007 van L. Zwemer, bezwaarverzekeringsarts.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 16 november 2007. Namens appellant was bovengenoemde gemachtigde aanwezig. Het Uwv heeft zich doen vertegenwoordigen door P.J. Langius.

II. OVERWEGINGEN

Voor een weergave van de in dit geding relevante feiten en omstandigheden verwijst de Raad tevens naar de uitspraak van de Raad van heden onder nr. 06/2014 WAZ. Daaraan voegt de Raad het volgende toe.

Het Uwv heeft bij besluit van 20 december 2002 appellant toekenning van uitkering in gevolge de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen (WAZ) met ingang van 12 december 2002 geweigerd, omdat diens mate van arbeidsongeschiktheid minder bedroeg dan 25%. Appellant heeft tegen dit besluit geen rechtsmiddelen aangewend. Op of omstreeks 4 mei 2004 heeft appellant opnieuw een aanvraag ingediend voor het ontvangen van een WAZ-uitkering. Daarbij is aangegeven, dat dit verzoek in de eerste plaats moet worden gezien als een verzoek om terug te komen op het besluit van

20 december 2002, maar dat het tevens betrekking heeft op een door appellant gestelde toename van klachten rond 4 mei 2004. In verband daarmee heeft W. le Grand, verzekeringsarts, die appellant op 12 augustus 2004 al feitelijk had onderzocht, op

10 mei 2005 rapport uitgebracht. Daarin concludeert deze arts dat er geen aanwijzingen zijn voor een te objectiveren toename van afwijkingen sedert 2002 en dus evenmin sedert de gestelde datum in 2004. Daarop heeft het Uwv bij besluit van 11 mei 2005 aan appellant bericht, dat er geen toename van beperkingen voor arbeid is vastgesteld en dat diens mate van arbeidsongeschiktheid onverminderd minder dan 25% blijft.

In het namens appellant gemaakte bezwaar tegen dit besluit is gewezen op de eerder overgelegde informatie van de revalidatie-artsen F.H de Vries en A.M. Boonstra. Tevens is erop gewezen, dat bij appellant in 2005 lymfklierkanker is vastgesteld en dat dit de toename van klachten medio 2004 kan verklaren. In dit verband is door de gemachtigde van appellant op 14 juli 2005 een brief van 5 juli 2005 van S. Hovenga, internist- oncoloog, overgelegd, waarin deze meedeelt, dat appellant recent is gestart met chemotherapie en dat hij geen uitspraak kan doen over de vraag of de voor het stellen van de bewuste diagnose bij appellant bestaande klachten met de lymfklierkanker in verband stonden. Na een rapportage van G.W. Egbers, bezwaarverzekeringsarts, heeft het Uwv bij besluit van 26 juli 2005 (hierna: het bestreden besluit) het bezwaar ongegrond verklaard. Daarbij is onder meer overwogen dat er geen aanleiding bestaat om toename van arbeidsongeschiktheid na 4 mei 2004 aannemelijk te achten.

Namens appellant is beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Daarbij is, naast de stelling dat er wel degelijk sprake is van toegenomen klachten, opgemerkt dat bij appellant in 2005 de al eerder genoemde ernstige ziekte is vastgesteld: weliswaar kan

dr. Hovenga voornoemd geen uitspraak doen over de duur van het bestaan van deze aandoening voorafgaand aan het jaar 2005, doch het had op de weg van het Uwv gelegen om naar dat punt een onderzoek te doen. Naar aanleiding van het bij de rechtbank door het Uwv ingediende verweerschrift is tevens opgemerkt, dat het Uwv slechts heeft getoetst of de eventuele toename is voortgekomen uit dezelfde oorzaak als die welke bij de beoordeling in 2002 een rol speelde; deze toetsing is volgens appellant te beperkt.

De rechtbank heeft het beroep bij aantekening mondelinge uitspraak ongegrond verklaard.

Namens appellant zijn in hoger beroep voornamelijk de eerder aangevoerde grieven herhaald.

De Raad merkt allereerst op, dat uit de stukken en uit de tekst van het bestreden besluit blijkt dat de toetsing door het Uwv zich niet heeft beperkt tot de vraag of de gestelde toename is voortgekomen uit dezelfde oorzaak als door de gemachtigde van appellant bedoeld. Vervolgens moet de Raad vaststellen, dat in de voorhanden zijnde medische gegevens geen (voldoende) basis is te vinden voor de stelling dat er rond 4 mei 2004 sprake was van een reële toename van beperkingen bij appellant. Uit de in hoger beroep door L. Zwemer voornoemd gegeven uitleg volgt, dat uit de aard van de in 2005 bij appellant geconstateerde ziekte voortvloeit dat er eerst sprake is van symptomen die geen echte fysieke beperkingen met zich brengen en dat indien de symptomen ervan naderhand sterker worden, zulks op vrij eenvoudig wijze door een arts is vast te stellen; in het eerder genoemde onderzoek van 12 augustus 2004 heeft de verzekeringsarts echter geen van bedoelde symptomen (onder andere zwellingen en bloedarmoede) kunnen vaststellen. Op grond hiervan en ook gezien de overige medische gegevens moet de Raad concluderen, dat er in 2004 nog geen sprake was van beperkingen als gevolg van bedoelde ziekte, laat staan van zodanige beperkingen dat deze leiden tot een relevant hogere mate van arbeidsongeschiktheid.

Het voorgaande betekent, dat het hoger beroep niet slaagt en de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

Voor een veroordeling van een der partijen in de proceskosten acht de Raad geen termen aanwezig.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door D.J. van der Vos als voorzitter en J. Riphagen en

A.T. de Kwaasteniet als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M. Gunter als griffier, in het openbaar uitgesproken op 11 januari 2008.

(get.) D.J. van der Vos.

(get.) M. Gunter.

MK